Viktor “Grave” Markovic
‘Sommigen van hen zullen het hier buiten niet overleven,’ mompelde Cordelia. Haar mening was kort en krachtig geweest dat deze groep ‘niet’ zouden reageren. ‘Want ze gaan niet weten hoe ze erop moeten reageren. Het zal een chaos gaan worden.’ Met een blik van erkenning voor de vrouw, en instemming wat ze sprak, keek Viktor haar aan. Het was in zijn blik, zijn bruin—smaragd kleurende ogen, geschreven, daar hoefde hij verder niets meer aan toe te voegen. Ze zaten op één lijn—zoals hij al een langere tijd had geweten.
Viktor had haar al in stilte geobserveerd, hoe ze haar woorden als kogels de ruimte in schoot, geen ruimte latend voor tegenspraak. De standvastigheid waarmee Juniper sprak, de manier waarop ze zichzelf in het middelpunt plaatste, het was niets nieuws voor hem. En toch—dit keer was er een onderliggende urgentie, een felheid die hem liet weten dat ze allang een beslissing had gemaakt voordat iemand in deze ruimte zelfs maar zijn mond had kunnen openen.
Zijn blik verschoof nauwelijks toen ze haar weg naar hem toe vond, haar opdracht bracht ze kort en zakelijk. ‘Over 20 minuten bij het hek.’ Het was geen vraag—bijna een bevel. Vervolgens verdween ze zonder om te kijken.
Viktor snoof zacht, zijn kaken even aangespannen. Dit hele plan—haar haast om te vertrekken, haar bereidheid om het risico te nemen—hij begreep het. Maar begrijpen was anders dan ermee eens zijn.
Hij liet zijn blik over de anderen in de ruimte glijden. De Raad, die hen had laten zitten met meer vragen dan antwoorden. En Cordelia—hij wist nog niet of ze hier iets van zou zeggen, maar hij voelde haar ogen al bijna in zijn rug branden.
Met een kort, bijna geamuseerd hoofdschudden duwde hij zichzelf van de muur af. “Twintig minuten,” mompelde hij, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders. Hij wist dat hij zou gaan. Niet alleen omdat ze dat van hem verwachtte, maar omdat hij wist dat iemand haar rug moest dekken. Juniper had gelijk over één ding: er was geen tijd meer te verspillen. Dus als zij vertrok, ging hij mee. Of ze nu wilde luisteren of niet, dat was een probleem voor later.
‘Je gaat weg,’ klonk de stem van Cordelia.
‘Ik ga mee,’ vervolgde ze—hard genoeg om voor de rest te horen.
Viktor hield Cordelia’s blik vast, zijn eigen uitdrukking onleesbaar, maar in de gespannen lijn van zijn kaak lag een vastberadendheid. Cordelia’s woorden verrasten hem niet. Hij had het kunnen verwachten—zij was niet iemand die zou achterblijven terwijl hij vertrok. Toch bleef hij haar enkele tellen aankijken, alsof hij zocht naar iets in haar ogen dat hem kon vertellen of ze écht klaar was voor wat hen buiten te wachten stond. Indien hij terug dacht aan die ene nacht wist hij dat ze haar mannetje stond mocht het nodig zijn—en zijn twijfels verdwenen.
Cordelia was stil geweest op zijn herinnering die hij opbracht—het was een stilte waarvan meer dan genoeg zei, meer dan woorden alleen. Ze waren door de dood heen gevochten, enkel met de wapens die ze op zak hadden. Ze waren moe geweest, doodmoe, maar één greintje van rust kon hun beiden de kop kosten.
Hij schudde langzaam zijn hoofd, niet uit afwijzing, maar uit een mengeling van overgave en iets wat leek op een korte, vermoeide genoegen. “Natuurlijk ga je mee,” bromde hij, alsof het de meest vanzelfsprekende conclusie was. Zijn toon droeg geen irritatie, eerder een zweem van iets anders—iets wat leek op een stil begrip. Misschien zelfs waardering, al zou hij dat nooit hardop zeggen.
Zijn blik gleed naar Benjamin, en even naar Elliot, die Juniper’s uitspraak ook duidelijk hadden opgevangen. Vervolgens keek hij weer naar Cordelia, iets zachter, al bleef er een zekere scherpte in zijn stem hangen. “Geen impulsief gedrag, Delia. Je weet wat er op het spel staat.”
Viktor gaf een korte blik naar de deur, waar Juniper zojuist verdween, toen Benjamin zich uitliet over zijn beslissing. De woorden van Juniper waren logisch. Redelijk. Maar dat maakte ze niet minder roekeloos.
‘Wel, dat was niet geheel onverwacht,’ sprak Benjamin. ‘Maar Juniper heeft gelijk. Het is te makkelijk om te blijven hangen in vragen als ‘wie’ en ‘waarom’, maar dat gaat ons niet helpen. We moeten actie ondernemen, juist nu. Nu we nog voorraden hebben.’ Hij gaf een snelle blik naar Elliot.
‘Maar we zijn veiliger in een kleine groep. Daarom sluit ik mij aan bij Juniper om de oplossing te vinden voor deze situatie. Er zijn botanische tuinen in de buurt die voor de val een zadenbank hadden. Het is de moeite waard om uit te zoeken wat daar nog van over is.’
|
Viktor spande zijn kaak kort aan terwijl hij naar Benjamin keek, zijn gezicht ondoorgrondelijk. Hij had dit al verwacht—of op zijn minst iets soortgelijks. De Raad kon moeilijk achterblijven terwijl anderen hun leven riskeerden om de gemeenschap draaiende te houden. Toch was er iets aan de manier waarop Benjamin het bracht, de lichte aarzeling in zijn stem, de haast onmerkbare spanning in zijn houding, dat Viktor een moment langer liet kijken.
“Je hebt enig idee waar je aan begint?” Zijn stem was niet spottend, maar direct. Kort en krachtig. De woorden kwamen er bijna achteloos uit, alsof hij Benjamin niet zozeer wilde uitdagen, maar hem simpelweg wilde laten inzien waar hij aan begon.
Een botanische tuin. Zaden. Het klonk goed op papier, een langetermijnoplossing. Maar langetermijnplannen betekenden niets als je onderweg dood neerviel. En laat het leven nou anders zijn buiten de muren dan er binnenin.
Zijn blik gleed even naar Elliot, om op te vangen wat hij ervan vond—en keerde toen terug naar Benjamin.
“Je wil een botanische tuin riskeren?” Viktor snoof zachtjes, zijn armen over elkaar slaand. “Grote kans dat je niets vindt. Grotere kans dat het krioelt van de verloren zielen.” Hij hield een korte pauze, zijn ogen wendde hij kort af alsof hij de opties in zijn hoofd afwoog, en keek toen weer op. “Je gaat iemands leven kosten. Als je gaat, dan neem je iemand mee die weet hoe je daar levend vandaan komt.” Het was geen vraag of een suggestie—enkel een feit. Zijn blik, naar Benjamin, zelfverzekerd en onveranderlijk.
Viktor liet zijn blik even over de anderen in de zaal glijden, zoekend naar een reactie, maar er kwam niets dat hem verraste. De spanning hing nog steeds in de lucht. Niemand sprak hem tegen—niet openlijk, althans. Misschien waren ze het met hem eens. Misschien hielden ze zich stil omdat ze wisten dat hij het meende. Benjamin zou zijn keuzes zelf moeten dragen. Net als Juniper. Net als Cordelia. Net als hijzelf.
Zijn blik gleed weer naar Cordelia. Zij was de enige die hij hier nog iets wilde zeggen. Met een lichte kanteling van zijn hoofd gebaarde hij haar mee naar buiten te lopen. Hij had geen zin om voor deze mensen te staan discussiëren over dingen die hij allang besloten had.
Pas toen ze buiten stonden, in de koelere lucht, haalde hij langzaam adem en keek haar schuin aan. “Je weet dat dit geen simpele tocht wordt.” Het was geen poging om haar van gedachten te veranderen—daar was het veel te laat voor. Hij wist dat zij het wist. Een onmiskenbare realiteit. “We weten niet wat we tegenkomen. Maar gelukkig—weet jij er genoeg van.” Hoe het daarbuiten was.
Een korte pauze, zijn ogen even van haar gezicht naar de bomen verderop, alsof hij iets in zichzelf wegduwde. “Heb je alles wat je nodig hebt?” sprak hij direct, praktisch. Maar ergens, diep in die woorden, lag iets anders verscholen. Iets wat hij niet hardop zei. Misschien niet eens onder woorden kón brengen. Hij wist dat het moment was aangebroken—de realiteit van de staat van de wereld nogmaals onder ogen te komen.
“Ik moet mijn spullen pakken,” zei hij eenvoudig—wat tegelijkertijd het bekend maken voor het eind van het gesprek was. Viktor liet zijn blik nog even op Cordelia rusten voordat hij kort knikte. Hij wist dat zij het zou begrijpen zonder dat hij meer hoefde te zeggen. Hij wist dat hij haar zou zien binnen 20 minuten bij het hek.
Dus draaide hij zich om en begon te lopen, weg van de raadzaal en van de gesprekken die hij niet meer wilde horen. De spanning in zijn schouders verdween niet, maar zijn pas was onwankelbaar. Hij wist wat hem te doen stond.
Zijn buitenpost lag net buiten het kamp, een plek die hij zelf had opgebouwd en op zijn eigen manier had ingericht. Het was klein, eenvoudig, maar efficiënt. Geen overbodige luxe of versiersel te zien. Een veldbed in de hoek, een paar wapens binnen handbereik, en een tas die nooit helemaal uitgepakt werd.
Hij knielde bij de tas en controleerde de inhoud:
﹥ Munitie, zorgvuldig geteld.
﹥ Een mes dat al zo vaak geslepen was dat het een deel van hem leek.
﹥ Een veldfles, niet helemaal vol, maar genoeg om even vooruit te kunnen.
﹥ Verband en een paar basisgeneesmiddelen—meer kon hij zich niet veroorloven.
﹥ Eten. Weinig, maar genoeg om een paar dagen mee te kunnen.
Zijn blik viel op een oude horloge dat op de houten plank lag. Het tikte niet meer, de wijzers stonden stil. Toch raapte hij het op en stopte het in zijn zak. Viktor trok zijn jas aan en hing zijn tas over zijn schouder. Met nog een laatste blik op de ruimte—zijn buitenpost—keerde hij zich zonder aarzeling om en liep richting het hek. Het was zijn thuis niet. Dat had hij nergens meer.
Bij het hek was het stil. De lucht was helder en koel. Viktor leunde met een hand op zijn slaghamer, Judgement, zijn blik op de omgeving gericht. Wachten was niets nieuws voor hem. Zijn andere hand omvatte het heft van zijn mes terwijl hij naar de verte tuurde. Dit was het moment waarop de echte tocht begon. Hier, aan de rand van de beschaving, wachtte hij op Juniper en Cordelia.
|