Hoofdstuk 2
"Heb je hulp nodig met die boeien?" De stem behoorde toe aan een oudere man. Tamzin draaide zich abrupt om naar de man, klaar om te rennen. Of niet, want hij wist werkelijk niet of hij zijn benen nog voor elkaar zou krijgen.
De man leek niet op een wachter, maar wie was Tamzin om daarover te oordelen? Misschien was hij in burger en stond hij paraat om een paar zwervers op te pakken.
"Nee hoor," antwoordde hij. "Dit ehm, dit was een uit de hand gelopen grap." Misschien zou de man wel om hulp roepen, of de wacht erbij halen, of hopen dat er een leuke duit te verdienen was door Tamzin aan te leveren. Wie droeg er nou boeien uit eigen wil?
De man grinnikte. “Want iedereen draagt boeien in zijn vrije tijd midden op straat.” Tamzin beet op zijn lip. Zijn ogen schoten kort over de straat. Er was niemand, behalve de man. Zou hij snel genoeg zijn? Kon hij wegkomen? Zijn ogen schoten nogmaals over de man. De man leek fit. Zijn haar was grijs en de rimpels rondom zijn ogen verrieden een lang leven, maar ondanks dat zag hij eruit alsof hij Tamzin zo in tweeën zou kunnen breken. Wegrennen was geen optie, zeker nu de verzuring steeds meer begon op te spelen.
Maar wat dan? Hoe kwam hij weg? Hoe zou hij de man overtuigen hem te laten gaan? (Waar zou hij dan heen gaan?)
“Maar ik heb een voorstel: kom met me mee vandaag. Ik zal je helpen om die boeien kwijt te raken, heb een warme maaltijd voor je en dan ben je vrij om te gaan.”
Wantrouwend keek Tamzin nogmaals naar de man. “En wat wil je daarvoor terug?” Hij was niet gek. Alles had een prijs, en zeker als het aanbod te mooi voor woorden klonk, was er altijd een tweede agenda.
Nogmaals grinnikte de man. “Je bent scherp,” zei hij. “Ik bied dit inderdaad niet zomaar aan.” Even was het stil. Tamzin vroeg zich af of dit het moment was dat hij vragen zou moeten stellen. Hij deed het niet. Als de man een tegenprestatie wilde, was het niet aan Tamzin om hem om die informatie te smeken.
De man stak zijn hand uit, een gebaar dat niet door Tamzin beantwoord werd. Heel kort schoten zijn ogen naar de hand, voor hij opnieuw naar het gezicht keek. De man glimlachte net.
“Scherp en een overlevingsdrang. Het siert je.” Weer even stilte. “Ik ben generaal Dimitri,” stelde de man zich uiteindelijk voor. Ook dit gebaar werd niet door Tamzin beantwoord. “Ik wil je een aanbod doen. Een manier hoe we elkaar kunnen helpen, hoe we de wereld kunnen bevrijden.”
Tamzin trok kort zijn wenkbrauwen op. “Dat klinkt verdacht veel als verraad,” zei hij.
De man, generaal Dimitri, grinnikte. “Niet zolang we niet gepakt worden,” zei hij. “Maar wat zeg je ervan? Een warme maaltijd, enkel om naar me te luisteren. Dat klinkt als een goed aanbod, nietwaar?”
Tamzin draaide zich van de man af. Hij kende de straffen, de mannen achtergelaten in kooien om levend door de kraaien opgegeten te worden. Zelfs luisteren naar deze man kon hem zijn hoofd kosten. “Nee, bedankt, niet geïnteresseerd. Je zal de wereld met iemand anders moeten redden.”
Hij was amper een paar passen ver voor de man weer sprak. “Waar wil je anders heen? De wachters zijn op zoek naar jou en de aanstichters van de explosie. Ze zullen niet licht denken over je ontsnapping.”
Tamzin draaide zich met een ruk weer om. “Ik heb nooit iets gezegd over een explosie.”
Dimitri lachte weer. Echt, wat was dit voor de man? Een verzetje? Een grote grap? Had hij niet door hoe hij met zijn leven speelde door de woorden die hij gebruikte?
“Dat hoefde je ook niet.” Hij stroopte zijn mouw op. Om zijn pols zat een armband, gelijkend aan de ring die nog steeds in Tamzins zak brandde. Een geplukte roos. “Wie denk je dat die bom gepland heeft, Tamzin?”
Tamzin realiseerde zich net iets te laat dat hij zijn naam nooit genoemd had.
Langzaam deed hij een paar stappen achteruit. Hij wist niet wat hier gaande was, hij wist wel dat hij hier zeer zeker niet op zat te wachten. De man was een gek, of iemand die niet om zijn zelfbehoud gaf. En dat was iets wat Tamzin zeker deed. Hij wilde deze dag overleven, en dan nog een, en dan nog een. Hij wilde zonder honger naar bed, maar hij wist ook dat hij niet alles kon hebben. Hij leefde nu op geleende tijd, en zou daar het beste van maken.
In de verte klonken voetstappen, geschreeuwde commando’s waar Tamzin de woorden niet uit duidelijk kon maken. Maar de strekking was zeker duidelijk: de wacht was op jacht. Ze zochten degenen verantwoordelijk voor deze act van rebellie, en de jongeman die enkel gebruik gemaakt had van de situatie.
Generaal Dimitri draaide zich om en begon te lopen. “Het is aan jou de keuze, een warme maaltijd en een aanbod die je kan laten zwemmen in het goud, of terug naar… dat.” Hij gebaarde naar de kant waar het geluid steeds dichterbij leek te komen.
En eerlijk, welke keuze kon Tamzin maken? Was er echt een keuze? Er werd hem geld beloofd, eten, vrijheid. Daartegenover stond… stond de dood, en dat was iets waar Tamzin nog niet klaar voor was.
Hij liep mee met de generaal, die in een hoog tempo door de steegjes liep, tot hij uiteindelijk een klein, grauwogend huisje binnenliep. Hij liep meteen door naar achteren, en opende een luik in de grond. Tamzin keek van hem naar het luik terug naar hem. Was dit een val?
Het was een gedachte die hij snel uit zijn hoofd schudde. Als de generaal hem kwaad had willen doen, had hij dat al gedaan. Dan was hij nu in handen van de wacht geweest. Hij was gevlucht bij zijn eigen executie. Hij had dood moeten zijn. Waar zou hij anders heen willen gaan?
De trap voelde ruw aan onder zijn blote voeten, maar ging al snel over in een vloer die bedekt was met stro. Wie waren deze mensen dat ze de vloer konden bedekken, in plaats van enkel de plek waar ze sliepen? Hoe lang al niet dat Tamzin geen stro meer had gehad om op te slapen?
De smalle gang onderaan de trap leidde naar een goedverlichte ruimte. Het leek bijna een pakhuis, met de kisten aan de zijkant tegen de muur. Tegen de andere muur stonden een aantal bedden. In het midden zaten drie mannen. Bij het licht van de kaarsen (kaarsen, meervoud, deze mensen konden meerdere kaarsen tegelijk aan hebben staan) zaten ze te kaarten.
Toen de generaal binnen kwam lopen keken ze op. Twee van de mannen waren bijna identiek aan elkaar, maar waar de een uitgebreid glimlachte toen hij Tamzin zag, leek de blik van de ander enkel donkerder te worden.
De generaal ging naast Tamzin staan. “Heren, we hebben een gast vandaag bij het eten. Loren, help hem eens een handje met de boeien.” De glimlachende man, Loren, stond op en gebaarde naar Tamzin om hem te volgen.
In de hoek van de ruimte stond een houtblok. “Leg daar de ketting maar op,” zei Loren. “En trek hem goed strak.” Toen Tamzin zijn aanwijzingen opvolgde, pakte Loren een hamer. Met een enkele slag (en een fractie van een seconde de gedachte ‘dit was waar ze zijn hersenen gingen inslaan’) was de ketting tussen de boeien kapot. De boeien zelf hingen nog als een soort mislukt fashionstatement als armbanden aan Tamzins polsen.
De generaal pakte iets uit zijn zak en gooide het op tafel. Het was een leren buideltje. Langzaam liep Tamzin naar de tafel en pakte het op. In het buideltje zaten materialen die Tamzin al te goed herkende: hij had er al te vaak sloten mee geopend.
“Ik geloof dat je je hier verder wel mee red?” zei de generaal. Het kostte Tamzin weinig moeite om de resten van de boeien los te maken. Hij voelde hoe de blikken van de anderen op hem brandden.
Het was Loren die met het eten aan kwam zetten. De generaal was inmiddels verdwenen. De andere twee mannen hadden zitten kaarten zonder aandacht aan Tamzin te schenken. Tamzin wist nog niet of hij hun gast was of hun gevangene. Ze leken in elk geval niet op hem te zitten wachten.
“Jolly, zeg nou niet dat je je nog niet hebt voorgesteld. Ik dacht dat ik je beter had opgevoed,” zei Loren. Aan de reactie van zijn evenbeeld te oordelen, was hij de genoemde ‘Jolly’. Als antwoord knikte de man enkel kort naar Tamzin. Het was amper een manier van voorstellen te noemen.
De andere man leek de stille hint wel te snappen, want hij kwam overeind en stak zijn hand uit naar Tamzin. Aan zijn vinger zat een zilveren ring met een geplukte roos.
"Daymar," stelde de man zich voor. Ook de stem klonk net te bekend. Dit moest de man zijn die de cellen in was geglipt, dat kon niet anders.
"Goed, nu iedereen elkaar eindelijk kent, is het tijd om te eten," onderbrak Loren het stille gesprek dat Tamzin in zijn hoofd aan het houden was met Daymar. Daymar leek zich niet bewust te zijn van de vragen. Waarom ben je bij mijn cel gestopt? Was jij degene die de bom geplaatst heeft? Waarom deze dag? Hoe ben je naar binnen en buiten gekomen?
"Dus tjop tjop, tijd om de kaarten weg te leggen en de tafel leeg te maken."
Reageer (2)
Een super goed hoofdstuk weer. Ik ben vast weer benieuwd naar het volgende hoofdstuk
5 dagen geledenIk vind dit dus nu al een onwijs goed verhaal! En het is pas nèt van start 🥺
1 week geleden