Achttien augustus (volgende vervolg)
‘Moira, dit kun je niet maken!’ Frits trommelde woest op de slaapkamerdeur – op zíjn slaapkamerdeur, verdorie! Moira had hem op slot gedraaid en Frits stond hier voor Jan Joker tegen haar te schreeuwen.
‘Moira, dit kán niet! Je bent net terug! Je kunt niet zomaar naar Duitsland! Wat wil je nou? Dit maakt het alleen maar erger! Hij zegt toch dat hij het beter vindt als hij niet bij je is! Moira, kom op, ga nou niet weer!’
Geen antwoord. Vergeefs gaf Frits een laatste ram op de slaapkamerdeur en liet zijn hoofd toen tegen het hout bonzen. Het had geen zin. Moira luisterde toch niet naar hem. Sinds de komst van de tweeling was ze niet helemaal zichzelf meer. De gelukkige, gelijkmatige vrouw had plaatsgemaakt voor een impulsief en emotioneel méisje, dat hij maar half kende.
Het maakte hem bang. Of nou ja, misschien was dat niet het juiste woord. Onzeker. Hij hield nog steeds van haar, dat wist hij honderd procent zeker, maar de “nieuwe Moira” maakte hem onzeker. Het was een kant van haar die altijd wel had bestaan, maar nooit echt naar voren was gekomen.
Frits wilde niet twijfelen aan de kracht van hun relatie, maar hij deed het wel en hij wist dat het bij Moira niet anders was. Dat allemaal de schuld van die Duitser! Kwaad wilde hij zijn, laaiend, duivels van woede, maar hij voelde slechts een doffe pijn. Niet meer.
Hij begreep precíes wat Bill voor Moira voelde.
Dat was het probleem, dáárom kon hij niet kwaad zijn. Voor Frits was het zó logisch dat Bill verliefd was op Moira. Hij kon zich perfect voorstellen wat de ander in haar zag, juist omdat hijzelf ook van haar hield. Tel daarbij Bills overduidelijke schuldgevoel, dikke wallen en vampierbleke hand van alle slapeloze nachten, bij op en de reden dat Frits niet kwaad kon zijn lag voor je op tafel.
‘Frits.’ Moira’s stem trok hem uit zijn gedachten. Ze stond nu voor hem, was via de badkamer de overloop opgestapt – de badkamer grensde aan zowel de slaapkamer als de overloop. Een uitdrukking van diepe spijt lag over haar gezicht.
‘Wat doe je me aan, Moira?’ Frits keek haar vreemd gelaten aan, lichtjes klaaglijk maar voornamelijk met een moet-dit-nou-blik.
Moira sloeg haar ogen neer. ‘Het spijt me, maar ik kan Konijn toch niet houden? Je weet toch zelf hoeveel dat beest voor Tara betekent!’
‘Dit gaat niet alleen over Tara,’ zei Frits met een zucht. ‘Dit gaat eigenlijk bijna níet om Tara. Dit gaat om Bill. Wat wil je nou, Moira? Wíe wil je nou?’
Ze beet op haar lip, durfde hem niet aan te kijken. ‘Ik weet het niet! Alles is z’n puinhoop, ik ben de grond onder m’n voeten kwijt. Of nee, eigenlijk balanceer ik op het randje van de afgrond. Dan kies ik toch voor de vrije val. Misschien maak ik nu wel de grootste fout van mijn leven, maar ik weet het niet.’
Ze stak haar hand naar hem uit, zoals je een suikerklontje aanbiedt aan een paard. Op haar vlakke handpalm lag echter geen klontje, maar een ring.
De ring.
Haar ring.
Zijn ring.
Hun verlovingsring.
Frits zette automatisch een stap achteruit, zijn ogen groot van schok en ongeloof. Even dansten er sterretjes voor zijn ogen. Alles had hij verwacht, maar niet dit. ‘Nee, Moira, wat doe je?’
‘Ik weet niet of deze ring nog dezelfde betekenis heeft voor ons,’ zei Moira zacht. ‘Ik weet niet of ik nog wel geloof in die betekenis. Misschien bega ik wel een levensgrote vergissing, maar dat weet ik nu nog niet.’
Er kwam geen antwoord van Frits. Hij kon haar alleen maar verbijsterd aanstaren. Moira zuchtte en voelde, heel onredelijk, lichte woede in haar opborrelen.
‘Verdammt noch mal, Frits!’ brak er door haar lippen. ‘Ik doe m’n best, ja! Ik voel me al zo’n bitch, maar ik weet het ook niet! Wat wil jíj nou? Ik houd van jou, ik houd van hem, ik ben een trut maar so be it! Dit is ook niet mijn favoriete oplossing, maar ik moet íets!’
Ze had meteen spijt van die uitval, maar nu bleef ze niet staan om sorry te zeggen. In plaats daarvan draaide ze zich om, stormde de trap af en griste haar tas uit de gang. Konijn zat op het tafeltje in de gang, naast Moira’s zonnebril. Ze stopte het knuffelbeest in de zak van haar jas en legde er, na enige aarzeling, haar verlovingsring voor in de plaats. Toen verliet ze als een wervelwind het huis.
Het was nu officieel: Moira Elizabeth Rosalinde Visser was een trut. Ze haatte zichzelf voor alle pijn die ze de mensen bezorgde. Hoe konden ze nou nog van zo’n ongelooflijke kreng houden? Er was echter één ding dat Moira heel zeker wist: ze zou pas weer een verlovingsring dragen als ze zeker wist dat het van de goede was.
Het was al laat toen Moira’s trein eindelijk in Keulen stopte. De zon zakte steeds vlugger weg achter de gebouwen en de straatlantaarns floepten tegelijkertijd aan. Moira stond in haar eentje met een weekendtas vol nutteloze bagage op een praktisch uitgestorven, schemerig station in Duitsland, om een afgekloven knuffelbeest terug te bezorgen bij het dochtertje van haar vroegere idool, die trouwens mogelijk ook wel de man was waar ze van hield.
Ze wilde naar huis.
‘Nee!’ zei ze hardop. Haar stem galmde over het lege perron. ‘Je bent hier niet om terug te krabbelen! Vérder, anders heb je Frits voor niets de schrik van z’n leven bezorgd!’
De conducteur, die braaf haar kaartje had gecontroleerd, kwam juist voorbij en keek haar verbaasd aan. Moira wendde vlug haar blik af en op dat moment vielen haar twee dingen in.
Ik ben nog nooit in Keulen geweest.
Ik ken Andreas’ achternaam niet, dus ik kan hem nooit vinden.
‘Scheiße!’ flapte ze eruit. Hoe kon ze ook zo stom zijn? Ze had geen adres, geen achternaam, geen plattegrond zelfs! Ze kon de tweeling niet bellen, want ze had alleen het nummer van de villa, en dat was behoorlijk nutteloos. Ze was ook zo’n rund!
‘Kann ich Sie vielleicht helfen?’ vroeg de conducteur beleefd. Hij was een jaar of dertig, niet onknap, met bruin haar en een snor. Zijn glimlach was uiterst behulpzaam, maar duidelijk ingestudeerd.
‘Ähm... Ja...’ Moira pijnigde haar hersenen, vond niets dat haar kon helpen en flapte er dus maar het eerste het beste uit – een welbekende tactiek. ‘Kommen Sie aus Köln?’
‘Ja sicherlich, ich bin ein echter Kölner,’ sprak de man trots en klopte zich nog net niet op de borst.
‘Also, äh... Kennen Sie vielleicht ein Andreas, der Freund der Kaulitz-Zwillinge?’ Het was een stomme vraag, dat wist Moira zelf ook, maar ze had niets beters.
Tot haar verrassing begon de man te lachen. ‘Aber klar, jeder kennt ihn hier! Andreas, sicherlich! Ich zeige es Ihnen, ja?’
‘Danke schön,’ zei Moira opgelucht. Ze kon niet geloven dat ze zoveel geluk had. Misschien had God toch niet zó’n grote hekel aan haar.
De klok sloeg negen keer toen de conducteur eindelijk stilstond. Het huis waar hij naar wees was niet al te groot, maar ook niet bijzonder klein – Andreas had duidelijk geen gebrek aan geld. Achter één van de ramen brandde goudgeel licht, voor de rest was het huis donker.
‘Hier,’ zei de conducteur overbodig. ‘Noch ’ne gute Nacht, Fräulein.’
‘Gute Nacht,’ mompelde Moira en keek de conducteur na toen hij opgewekt de straat uitwandelde. Nu het moment aangebroken was, wilde ze al helemaal niets liever dan omkeren.
Nee, nee, ze was hier niet gekomen om de lafaard te spelen!
Bel aan dan, zei het stemmetje in haar achterhoofd. Laat maar zien dat je geen lafaard bent.
Moira belde aan.
Even gebeurde er niets, het huis bleef stil en het licht bleef branden. Toen klonken er voetstappen, gemorrel aan de deur en gekraak toen die werd opengetrokken. Op de drempel stond een jonge man, ongeveer de leeftijd van de tweeling, met warrig witblond haar en een niet onaantrekkelijk gezicht.
Bij het zien van Moira’s gestalte en tas trok hij zijn wenkbrauwen op. ‘’Tschuldigung, kenn ich Sie?’
‘Nein,’ antwoordde Moira met een stem die haar zelf verbaasde, zo helder klonk het – in tegenstelling tot de warboel in haar hoofd. ‘Aber Ihre Gäste kennen mich. Darf ich hineinkommen?’
Andreas – die was het natuurlijk – knikte verbluft en Moira wipte over de drempel. Ze zette haar tas onder de kapstok, frummelde aan de knopen van haar jas en besefte toen dat Andreas haar aanstaarde. Natuurlijk, hij had geen idee wie er nu weer in zijn gang stond.
Op dat moment viel haar in waar ze mee bezig was.
Ze had gewoon aangebeld bij iemand die ze niet kende, omdat Bill had gezegd dat ze daarheen zouden gaan, om Konijn terug te brengen bij de eigenaresse. En eigenlijk ook om haar keuze te maken. Ze wist dat het moest, dat het nu echt moest. Zou ze het kunnen? Zou ze het durven? Zou ze het weten?
‘Ähm...’ Andreas schraapte zijn keel en Moira maakte bijna een sprongetje van schrik. ‘Kann ich... Das heißt... Also... Ähm...’
Moira besefte dat hij haar naam wilde weten, ook al wist hij niet goed hoe hij dat moest vragen. Ze kuchte even en mompelde: ‘Ich heiße Moira.’
Die naam had effect. Andreas maakte een luchtsprong van schrik en begon prompt te stotteren. ‘W-Warte, ich-ich-ich hole Bill für dich, ja?’
Hij verdween in de kamer die Moira aanzag voor woonvertrek, daar waar het licht ook aanstond. Zij bleef achter in de gang en dat vond ze helemaal niet erg. De zenuwen speelden op, ze voelde hoe haar hart weer aan de trapezeoefeningen begon en haar handen trilden als twee espenbladen. Om zichzelf een houding te geven stopte ze hen in de zakken van haar jas. Haar rechterhand vond Konijn en ze vouwde haar vingers stevig om het beest heen.
Op dat moment ging de woonkamerdeur open. Het silhouet op de drempel zou Moira overal herkennen.
Bill.
Ze stonden in het halfduister, alleen bijgelicht door de gele streep onder de deur en de straatlantaarn voor het huis. Bill leek aan de grond genageld en kon geen woord uitbrengen; Moira was bang dat haar stem pieperig zou klinken van de zenuwen en durfde niets te zeggen.
Uiteindelijk besefte ze dat ze Konijn zo’n beetje wurgde in haar jaszak en vond onmiddellijk een manier om het ijs te breken. Ze trok simpelweg het knuffelbeest tevoorschijn.
Bill hapte naar adem. De betovering leek verbroken, zijn stem was teruggekeerd – hoewel hij nog niet in volledige zinnen kon praten. ‘Dus dáár... Ik wist niet... Tom zei... Maar waarom... Ze... Het spijt me, Moira, ik... Je... Mijn... Ik wilde niet... FUCK.’
Hij slaakte een diepe zucht en leunde tegen de muur, zijn lippen nog gevormd naar het scheldwoord. Zo maakte hij een hele kwetsbare indruk, met zijn haren los voor zijn make-uploze gezicht en zijn schouders gebogen. Moira’s hart liep over, maar niet alleen van medelijden.
Ze liep naar hem toe en legde haar linkerhand op zijn schouder. Hij keek op, automatisch, ontmoette heel even haar blik en wendde meteen zijn ogen af. in die beweging zag hij iets opvallends – iets dat opvallend niet aanwezig was.
‘Je draagt geen ring.’ Zijn stem klonk heser dan ooit.
‘Klopt.’ Moira’s stem klonk kalm, het tegenovergestelde van haar binnenste. ‘Ik wilde zeker weten dat de ring aan de juiste persoon behoorde.’
‘Dan had je ’m nooit af moeten doen,’ mompelde Bill, half tegen zichzelf en half tegen haar. ‘Ik ben toch zeker geen keuze.’
Moira sloot haar ogen en liet alle herinneringen nog eens aan zich voorbijtrekken. Ergens moest ze toch wel een antwoord hebben?
Frits voor het eerst, Tokio Hotel op de achtergrond door haar koptelefoon.
Huwelijksaanzoek, puur geluk en geen enkele twijfel.
Nieuwe buren, opwinding om de bekende koppen en doorbreking van de dagelijkse sleur.
Een kind en een vat vol geheimen, ruim genoeg tijd om alles uit te zoeken en een brandende zon om haar gedachten weg te jagen.
Ontluikende vriendschap, beginnend vertrouwen, verkleedpartijen, een zomeravond met Frits en een gelukkig gevoel.
Telefoontje, moeders en nieuwe vrienden, vervreemding, gesprekken met de buren die ze niet hoorde te voeren, jaloezie en schuldgevoel alom.
Steffi. Lars. Tara. Bill. Verhalen die geen echte verhalen zijn, maar ooggetuigenverslagen, waar gebeurd en verontrustend.
Een gelukkig gevoel als Bill zegt dat hij haar vertrouwt.
Een tevreden gevoel als Frits niet hetzelfde zegt, maar wel dat bedoelt.
Zenuwen, familiebezoek, Steffi plus Bill is ruzie en Tara heeft nachtmerries.
Meer jaloezie.
Twijfel.
Angst.
Een kus.
Stoppen slaan door, halsoverkop vertrek.
Steffi weer. Advies. Gelukkig? Tevreden? Chinees of Afrikaans?
Een pakketje.
Een brief.
Konijn.
Een ring.
Een trein.
Keulen.
Een keuze.
Als ze dit eerder had gedaan... Dan was haar waarschijnlijk een hoop bespaard gebleven. De keuze werd haar op een presenteerblaadje aangeboden. Alle stress, zenuwen, angst, sijpelde gestaag uit haar weg. Ze kon nu vrijuit ademen zonder het brok in haar keel te voelen.
Ze had haar keuze kunnen maken. Ze had haar keuze durven maken. Ze had haar keuze weten te maken.
Moira ontwaakte uit haar dagdroom en besefte dat er nog geen minuut voorbij was gegaan. Ze stonden nog op dezelfde manier, in de gang in het halfduister, en Bill staarde nog steeds naar zijn schoenen in plaats van naar Moira’s gezicht.
Ze lachte zachtjes, volledig ontspannen. ‘Wat is de zomer snel voorbij gegaan, vind je ook niet? ’t Is al midden augustus.’
‘Zomertijd gaat altijd snel voorbij,’ mompelde Bill schor. Hij begreep duidelijk niet waarom Moira plotseling dáár over begon, maar wist ook niet wat hij anders moest zeggen.
‘Ja,’ was Moira het met hem eens. ‘Zomertijd gaat altijd snel. ’t Was wel een behoorlijke puinhoop, deze zomer.’
Bill kon het daar alleen maar mee eens zijn, voegde er somber bij: ‘Ik vond het vroeger nooit leuk als de zomer voorbij was, maar dit keer maak ik een uitzondering.’
‘Dat begrijp ik wel,’ zei Moira zacht. ‘Ik voel me ook schuldig. Maar het enige wat ik wil, is gelukkig worden, en het was echt niet mijn bedoeling om zoveel pijn te veroorzaken. Uiteindelijk moet je tóch doen wat je hart je ingeeft, om het maar met filmwoorden te zeggen.’
Bill zuchtte diep. ‘Tot ziens dan maar?’ mompelde hij en richtte zich op, zodat ze zijn vochtige ogen niet kon zien.
Moira lachte weer. ‘Dat hoop ik wel.’ Ze ging op haar tenen staan, legde haar armen om zijn hals en fluisterde: ‘Ik houd van je.’
Reageer (2)
aaah wat lief
1 decennium geledenk vind dit echt zo'n mooi verhaal
echt super
super(H)
1 decennium geleden