Ken je dat gevoel van tevredenheid als je het laatste puzzelstukje op de juiste plaats legt? Niet dat het moeilijk is om een laatste stukje in de puzzel te passen, want er is dan als alles klopt nog maar één plaatsje over. Maar het is altijd moeilijker om het laatste stukje te vinden – lag hij dan toch onder de sofa, stoelpoot, kattenbak, kattenstaart?
Moira vond het laatste puzzelstukje op Bills lippen.
Ze wilde hem eigenlijk van zich afduwen, maar haar lichaam had een heel ander plan. Ze wikkelde haar armen om zijn hals, duwde zich tegen hem aan, zuchtte zachtjes toen zijn tongpiercing tegen haar tanden tikte.
Op dat moment brak er iets. Twee helften van een potlood gleden uit Frits’ handen en vielen met een hoorbare tik op de vloer.
Moira en Bill schrokken tegelijkertijd op. Hij keek als een tiener die betrapt wordt met zijn eerste vriendinnetje, zij waarschijnlijk als dat vriendinnetje. Ze gluurde onder haar wimpers door naar Frits – die keek als de vader die de twee betrapte.
In de stilte die volgde, schoten er drie belangrijke vragen door Moira’s hoofd.
Waarom is Frits zo vroeg thuis?
Hoe ga ik hem dit uitleggen?
Wat doe ik nu?

Frits draaide zich om en verliet de keuken. Bill staarde met enorme ogen van schrik naar Moira, kon even niets zeggen en begon toen: ‘Het sp...’
Moira sloeg meteen haar hand voor zijn mond. ‘Niet zeggen! Het is mijn schuld, ik zei dat je het moest doen. Of tenminste, ik zei dat je me moest vertellen wat er aan de hand was, en dat heb je gedaan, dus het is mijn schuld.’ Ze besefte dat ze ratelde en klapte vlug haar mond dicht.
‘Jij wist niet wat het was,’ mompelde Bill tegen haar hand. ‘Als je dat geweten had, had je het vast niet gevraagd.’
Nee, dacht Moira. Dat had ik niet. Ze had de neiging om over haar lippen te wrijven, maar besefte dat dit niet zo’n handig tijdstip was om dat te doen. Dus vloog ze overeind, keek even om zich heen en zei toen gehaast: ‘Bill, je moet hier weg.’
‘Maar...’
‘Geen gemaar, ik weet niet waar Frits nu tot in staat is maar ik wil het liever niet uitproberen, en al helemaal niet op jou. Ga nu maar gewoon.’
‘Ben je boos op me?’ Hij bleef gewoon zitten.
Moira aarzelde even. Ze kon liegen, natuurlijk, en het allemaal veel makkelijker maken. Als ze loog, zou ze een reden hebben om hem nooit meer te hoeven zien, en dat zou het met de Frits-situatie oneindig veel eenvoudiger maken. Maar ze schudde haar hoofd. ‘Nee.’
Hij keek opgelucht. ‘Dank je. Ik weet dat het stom was.’
Ze moest zelfs even lachen, maar kreeg vrijwel meteen haar frons weer terug. ‘Je kan écht maar beter gaan.’
‘Maar...’
‘Ik zei toch “geen gemaar”?’ Moira begon nu ongeduldig te worden – ongeduldig van de zenuwen, ze was niet kwaad. Ze voelde zich raar. Bills kus brandde na op haar lippen, maar aan de andere kant: Frits? Wat moest ze nu met Frits? Ze voelde zich schuldiger dan ooit. Frits verdiende beter. Ze had hem zo hard gekwetst – en dat terwijl ze hem gisteren nog gesmeekt had het huwelijk te vervroegen. Hij geloofde natuurlijk nooit dat dit de eerste keer was. En toch kon ze niet kwaad zijn op Bill. Bill, die nog steeds op de keukenstoel zat en haar aanstaarde met zijn ogen wijdopen.
‘Toe nou, ga gewoon!’ smeekte ze zo’n beetje. ‘Ik los het wel op met Frits, ga nu maar!’
Hij stond aarzelend op en ze duwde hem bijna naar de deur. Zodra Bill buiten op het grindpad stond, sloeg Moira de deur dicht. Even bleef ze staan, haar hand op de klink en haar rug tegen het hout. Vanuit de woonkamer kwam het geluid van een ritselende krant. Frits zocht altijd zijn toevlucht tot de krant als hij in de knoop zat met zijn emoties. In dat geval had hij nu wel de zaterdagkrant nodig, met vijf katernen in plaats van twee.
Moira liet de deurklink los. Het voelde alsof ze haar laatste reddingsboei losliet, maar ze vermande zich. Ze was tweeëntwintig jaar, ze moest op haar eigen benen staan. Ze moest verantwoordelijkheid nemen voor haar eigen acties. Zeker als ze haar verloofde onder diens neus had bedrogen met hun beste vriend – of dat nou expres was of niet. Frits had alle recht om boos, teleurgesteld, jaloers en verdrietig te zijn. Al helemaal omdat ze, als ze eerlijk was, moest toegeven dat ze Bill niet had weggeduwd. Integendeel zelfs.
Ze haalde diep adem, zuchtte toen en rechtte haar rug. Het is je eigen schuld, zei het stemmetje in haar achterhoofd. Ik weet het, antwoordde ze. Ga dan, moedigde het stemmetje haar aan. Je laat Frits ook nog eens wachten – dat verdient hij niet.
Hij verdient dit allemaal niet, dacht Moira en begon met tegenzin naar de woonkamer te lopen. Hij is veel te goed voor mij. Hij heeft iemand nodig die hij kan vertrouwen, die niet bloost als de buurman haar op de wang kust, die niet reageert als diezelfde buurman haar op de líppen kust. Ik verdien hem niet.
Frits zat op de bank met zijn krant, maar hij bleef niet onverstoorbaar zitten, zoals anders. Zodra Moira op de drempel stilhield, legde hij de krant opzij en keek naar haar op. Ze las geen woede op zijn gezicht. Gelatenheid, teleurstelling, verdriet, misschien een enkel vlekje jaloezie. Maar geen woede. Nu voelde ze zich nog schuldiger. Ze verkoos toch liever razernij boven teleurstelling. Hitte van razernij koelde na een tijdje af en verdween, loste op. Teleurstelling bleef altijd even koud en kil, smolt zo langzaam dat het soms maanden duurde voor het helemaal verdwenen was. Met teleurstelling kon ze veel slechter omgaan dan met woede.
‘Hoe lang al?’ vroeg hij.
‘Dit was de eerste keer,’ bezwoer Moira hem. ‘En de laatste ook!’
‘Verwacht je dat ik dat geloof?’ Weer alleen teleurstelling.
Moira liet zich op de drempel op haar knieën zakken. ‘Ik verwacht het niet. Ik vraag, nee, sméék het. Ik zou zoiets nooit doen, dat wéét je.’
‘Ik weet niet wat ik weet,’ antwoordde hij. ‘Ik had nooit gedacht dat je het zou doen, maar dat wat ik zojuist gezien heb, vertelt toch iets anders. Waarom?’
‘Hij kuste mij,’ fluisterde ze, staarde voor zich uit met een lege blik. ‘Ik zag het niet aankomen... Ik zag dat hij ongelukkig was. Maar ik wist niet dat het dáárom was...’
‘En nu?’ vroeg Frits. ‘Wat doen we nu? Wil je met me trouwen, Moira? Wil je dat echt?’
Ze keek met een ruk naar hem op, besefte dat er tranen langs haar wangen gleden en knipperde heftig met haar ogen. ‘Ik weet het niet. Ik wéét het niet!’
Net als haar ogen liepen haar emoties over. Elke traan stond voor iets anders. Verwarring, verdriet, schuld, angst, pijn, onzekerheid, maar ook blijdschap, geluk, vertedering. Veel minder emoties die bij de lichte kant hoorden, maar ze wist dat die emoties altijd veel vaker voorkwamen en veel langer duurden. De donkere emoties waren meer vlekken in een veld goudgeel licht.
Op dit moment heerste voornamelijk verwarring. Ze schaamde zich voor wat ze Frits had aangedaan, ze voelde zich schuldig en ze wist dat het terecht was. Ze wenste dat ze hem kon troosten, maar er was maar één manier om dat góed te doen en dat was door met hem te trouwen. Maar aan de andere kant trok de gedachte aan Bill haar ook aan. Nog iemand om te troosten – nog iemand om van te houden? Ze besefte dat ze inderdaad van hem hield. Maar was het zoals Frits? Kon het zijn zoals Frits? Nee, daar moest ze niet over nadenken. Het moest gaan over het nu, het hier. Als ze nu, op dit moment, meer voelde voor Frits dan voor Bill, mocht ze niet denken over hoe het zou kúnnen zijn – dan kwam ze nooit ergens verder mee.
‘Moira?’ Frits kwam op haar af en hurkte voor haar neer. Hij legde een hand op haar wang, streek de tranen weg met zijn duim en zei zachtjes: ‘Niet huilen, liefje. Ik ben niet boos op je.’
‘Waarom niet?’ snikte ze. ‘Ik heb je bedrógen!’
Ze wilde dat hij boos op haar was, ze wilde dat hij schreeuwde en dreigde en met zijn sloffen gooide. Het zou allemaal veel makkelijker zijn als hij normáál reageerde. Waarom moest hij ook alles begrijpen?
‘Ik houd van je, Moira.’
Nu moest ze nog harder huilen. Hij hield van haar? Na alles wat zij hem had aangedaan? Na haar uitstapjes naar de buren, die hij zo achterdochtig bekeken had? Na een kus met hun beste vriend, waar hij bíj had gestaan? Na al die keren dat ze – voor zijn bestwil, maar dan nog – tegen hem gelogen had? Gelogen over Steffi, over waar ze geweest was, over haar gevoelens; hij wist het niet, maar ze wenste dat hij overal van op de hoogte was. Dan had hij nog meer redenen om boos op haar te zijn en ze wílde dat hij boos op haar was. Dat was veel beter dan zijn irrationele begrip.
‘Moira, wat wil je?’
‘Wég!’ Het flapte uit haar mond voordat ze een kans had erover na te denken. Ze sprong op, verwilderd, keek om zich heen en graaide met haar handen door haar haren. ‘Ik moet nadenken, ik moet hier weg, Frits, het spijt me, het spijt me zo!’
Ze ratelde weer, was volledig de weg kwijt, de kluts kwijt, maar al haar gedachten tuimelden over elkaar heen en ze wist niet wat nou kop of staart was en ze – ze wilde hier weg!
Tranen sprongen alle kanten uit, maar Moira maalde er niet om. Impulsief als ze was met haar emoties door de war, vloog ze de trap op naar boven en knalde de slaapkamerdeur achter zich dicht. Wáár was die tas, die stomme weekendtas? Oh daar, onder het bed, snel, kleren erin, snel snel snel, tandenborstel, altijd praktisch blijven, nee, die niet, die wel, ja, nee, zó! Ze ritste de tas dicht, schoof haar voeten lukraak in een paar schoenen – hoge hakken, maar wat maakte dat nu nog uit?
Frits bonkte op de deur. ‘Moira, waarom doe je dit nou? Je hóeft niet weg!’
‘Ik moet!’ riep ze terug. ‘Ik moet nadenken, ergens waar het rustig is! Het spijt me zo...’ Haar stem stierf weg, maar haar bewegingen staakten niet. Sjaal, jas, nee, die hing in de gang. Mobiel? Niet nodig, niet nodig. Sleutels... Nee, ook niet.
Klaar dan. Klaar om te gaan. Ze schopte de deur open, knalde die bijna tegen Frits’ neus maar hij wist de deur te ontwijken, stormde langs hem heen de trap af en rukte haar jas van de kapstok. Frits holde achter haar aan, maar ze liet zich niet weerhouden. Voordeur open, het grind kraakte heftig onder haar voeten toen ze naar het hekje rende. Er was verder geen kip op straat, alleen zij met wild wapperende haren en een weekendtas die bonkte tegen haar benen.
‘Moira!’ riep Frits nog. ‘MOIRA!’
Maar Moira luisterde niet. De bushalte was aan de andere kant van het dorp. Wanneer dat kreng zou komen, wist ze niet. Maar ze wist al wel waar de bus haar heen zou brengen. Thyrza.

Reageer (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen