H. 2
Langzaam opende ik mijn ogen. Alles deed pijn. Ik was erger gewend, maar toch dacht ik dat ik doodging. Ik rolde weer terug in de schaduw, onder de woonwagen en sloot mijn ogen. Ik ademde in, uit, in, uit... Het deed geen pijn meer. Ik legde mezelf voorzichtig neer en voelde iets plakkerigs tegen mijn wang. Het rook heerlijk. Ik opende mijn ogen weer, en zag een dieprood mengsel. Bloed. Verward ging ik rechtop zitten. Ik was vergeten dat de woonwagen boven me zat, maar de metalen bodem boog mee met de vorm van mijn hoofd. Langzaam kroop ik weer onder de woonwagen uit. Het rook overal zo lekker. Ik realiseerde me dat ik honger had. Of dorst, meer. In een roes sloot ik mijn ogen weer en liet mijn neus me naar voedsel voeren. Voordat ik wist wat ik deed voelde ik zachte huid tegen mijn lippen en proefde het heerlijkste wat ik ooit had gehad. Een rijke vloeistof, romig maar niet té, zacht en smakelijk. Ik hoorde een huil en langzaam opende ik mijn ogen weer. Ik had een klein jongetje in mijn armen. Het duurde even voordat ik me realiseerde wat er gebeurde. Het jongetje had een wond in zijn nek waar bloed uit stroomde. Zijn ogen waren uit zijn kassen gerold en hij bewoog niet meer. Ik schoof zijn haren uit zijn gezicht en liet hem meteen vallen. Het was mijn neefje. Bentley was pas twee jaar geworden.
Ik stond razendsnel op en begon te rennen. Het ging sneller dan normaal en voordat ik het wist was ik ons kamp uit. Ik rende door, de woestijn in. Ik bleef maar rennen en verbood mezelf ergens anders aan te denken. Wat was er gebeurd? Hoe had ik het ooit kunnen doen? Kwam het door de gedachten over mijn moeder? Had ik nog anderen vermoord?
Op dat moment wist ik maar één ding zeker. Ik was een monster.
Er zijn nog geen reacties.