|| 4 ||

Ik keek naar de bomen toen de herfst inviel. Mijn vader en broertje waren vertrokken, zodat ik met mijn moeder en zusje overgebleven was.
Ik leunde tegen de stam van een grote eik en wachtte tot ik Tom in het oog kreeg. Het duurde niet lang voor hij met een fantastische glimlach achter een boom vandaan stapte.
Ik liep naar hem toe om hem te omhelzen. Ik had hem lang niet gezien en ik had hem nog niet eens kunnen vertellen over het vertrek van mijn vader en broertje.
Thomas merkte direct dat er iets was dat mijn dwars zat. Hij hield me op een afstandje en bekeek me aandachtig. Ik staarde terug in zijn blauwe ogen, die me zoals altijd weer betoverden.
Zijn hand streelde mijn wang.
'Wat is er aan de hand?' vroeg hij bezorgd.
Ik boog mijn hoofd en voelde tranen opkomen. Ik wilde het hem niet vertellen. Ik wilde dat we voor eeuwig in dit bos konden blijven. Wij met zijn tweeën. Zonder dat iemand ons zou storen. Ik wilde hem niet kwijt.
'Mijn vader is naar Wenen vertrokken,' zei ik. 'Samen met mijn broer.'
Tom hield me vast terwijl mijn tranen droogde.
'Hij - hij werkt daar voor meer geld.'
Tom kuste mijn haar.
'Dat is toch geweldig, lieverd?' vroeg hij verbaasd.
Ik knikte. 'Maar dat is het ook niet.'
Hij verstopte mijn gezicht tegen zijn borst en hield hem extra stevig vast.
'Wat is het dan wel, liefste?'
Ik keek naar hem op, in de hoop dat zijn blik me moed in zou blazen. Ik voelde nog een traan over mijn wang glijden, maar ik wist dat ik het hem moest vertellen.
'Hij wil dat we ook naar Wenen gaan.'
Er zijn nog geen reacties.