Over het einde, de dood en waarom ik er niet meer over nadenk.
Genre: drama?
Ik liep naar huis toen het begon te waaien. De wind kwam uit de richting van het bos achter mijn huis, ik had dus wind tegen. Dat vond ik niet erg, ik hield wel van dit soort weer. De wind door je haren, rode wangen van de kou, frisse lucht, heerlijk. Het was ook goed denkweer. Ik filosofeerde veel destijds. Ik dacht na over de zin van het leven, goed en kwaad, de oorsprong van woorden, de aard van de mens, school, geld, alles wat maar in me opkwam. Soms dacht ik over de dood. Over hoe het zou zijn om dood te gaan. Niet over een eventueel hiernamaals of leven na de dood, maar over wat er zou gebeuren als ik er niet meer was. Wie het het eerst te weten zou komen, aan wie die het zou vertellen, of iemand me nog zou proberen te redden, terwijl ik al weg was. Of ik begraven zou worden of gecremeerd, wie het hardst zou huilen, wie zijn verdriet zou opkroppen, of men zwarte kleding zou dragen en voor hoe lang. Ik vroeg me af hoe mijn familie en vrienden zouden reageren, en vooral ook de mensen uit mijn klas die ik totaal niet aardig vond - zouden zij verdriet of verlies voelen, alleen maar schok of zelfs niets? Soms vroeg ik me ook af of ik de reacties zou kunnen zien. Ik hoopte van wel, want hoewel het verdriet vreselijk zou zijn om aan te zien, was ik er nieuwsgierig naar. Misschien zou ik ze op de één of andere manier kunnen helpen, als een onzichtbare kracht die ze positief zou laten denken. Altijd als ik hieraan dacht, schold ik mezelf mentaal uit. Waarom dacht ik hieraan? Ik wilde toch niet dood? Dan vroeg ik me af of iedereen aan zulke dingen dacht, of dat het abnormaal was. Niet dat het me wat uitmaakte om normaal te zijn. Ik vroeg het me gewoon af.
Het begon harder te waaien - het stormde nu. Ik versnelde mijn pas, zodat ik straks veilig thuis zou zijn. De lucht was donkergrijs bewolkt, en het zou niet lang meer duren voor de regen met bakken uit de hemel stortte.
Ik woonde met mijn ouders, broertje, zusje en hond in een klein huis aan de rand van het bos. De meeste bomen torenden hoog boven ons huis uit.
Ik voelde de eerste druppels vallen. In de verte zag ik mijn huis al staan. Ik begon te rennen, en ook de regen viel sneller. De wind waaide in krachtige vlagen de druppels in mijn gezicht. Ik kneep mijn ogen dicht tegen de koude druppels. Een harde windvlaag werd gevolgd door een oorverdovend gekraak. Ik opende mijn ogen en zag een torenhoge boom omvallen. Nog meer gekraak en gebulder, de hond die blaffend net op tijd het huis uit rende - en toen was het voorbij. De hond hinkte naar me toe en duwde zijn neus tegen mijn hand. Met open mond staarde ik naar de plek waar net nog mijn huis had gestaan. De boom was door het dak gestort, midden in het huis. Waar geen boom lag, lagen brokstukken van het ingestorte plafond en de muren. Even dacht ik dat ík door een boom geplet was, dat ik dood was, terechtgekomen in mijn eigen, persoonlijke hel. Maar de hond die aan mijn handen likte, de regen die me doorweekte, de wind die op me inbeukte, de tranen die over mijn wangen biggelden, waren niets dan de harde realiteit.
Niet veel later, toen de regen langzaam in motregen was overgegaan, kwamen de brandweer en ambulance, gebeld door mensen in de omgeving die het lawaai hadden gehoord. Ze reden langs me heen, alsof ik er niet stond, doornat, verkleumd tot op het bot, in shock. De hond blafte naar ze, maar ik deed niet eens de moeite om hem te bestraffen. Brandweermannen doorzochten de ruïne die eens mijn huis was, maar ik wist zeker dat ze geen overlevenden zouden vinden.
Het begon harder te waaien - het stormde nu. Ik versnelde mijn pas, zodat ik straks veilig thuis zou zijn. De lucht was donkergrijs bewolkt, en het zou niet lang meer duren voor de regen met bakken uit de hemel stortte.
Ik woonde met mijn ouders, broertje, zusje en hond in een klein huis aan de rand van het bos. De meeste bomen torenden hoog boven ons huis uit.
Ik voelde de eerste druppels vallen. In de verte zag ik mijn huis al staan. Ik begon te rennen, en ook de regen viel sneller. De wind waaide in krachtige vlagen de druppels in mijn gezicht. Ik kneep mijn ogen dicht tegen de koude druppels. Een harde windvlaag werd gevolgd door een oorverdovend gekraak. Ik opende mijn ogen en zag een torenhoge boom omvallen. Nog meer gekraak en gebulder, de hond die blaffend net op tijd het huis uit rende - en toen was het voorbij. De hond hinkte naar me toe en duwde zijn neus tegen mijn hand. Met open mond staarde ik naar de plek waar net nog mijn huis had gestaan. De boom was door het dak gestort, midden in het huis. Waar geen boom lag, lagen brokstukken van het ingestorte plafond en de muren. Even dacht ik dat ík door een boom geplet was, dat ik dood was, terechtgekomen in mijn eigen, persoonlijke hel. Maar de hond die aan mijn handen likte, de regen die me doorweekte, de wind die op me inbeukte, de tranen die over mijn wangen biggelden, waren niets dan de harde realiteit.
Niet veel later, toen de regen langzaam in motregen was overgegaan, kwamen de brandweer en ambulance, gebeld door mensen in de omgeving die het lawaai hadden gehoord. Ze reden langs me heen, alsof ik er niet stond, doornat, verkleumd tot op het bot, in shock. De hond blafte naar ze, maar ik deed niet eens de moeite om hem te bestraffen. Brandweermannen doorzochten de ruïne die eens mijn huis was, maar ik wist zeker dat ze geen overlevenden zouden vinden.
Hadden ze zelfs maar de tijd gehad om 'dit is het eind' te denken?
Iemand tikte me op mijn schouder. Ik keek om, maar kon geen gezicht onderscheiden; de tranen in mijn ogen maakten alles wazig. "Is dat jouw huis?" vroeg de persoon - het geluid leek door een dikke laag te komen, mijn oren tuitten. Ik knikte. "Kom maar mee." De persoon leidde me naar een ambulance. Ik volgde gedwee, beroofd van enige vrije wil. De hond liep achter me aan en wachtte voor de ambulance, waar ik ging zitten. Er werden testjes gedaan die ik bij de huisarts al zo vaak had gehad, waarna ik weer naar buiten werd gestuurd. "Geen fysieke schade," hoorde ik iemand zeggen. Nee, dat had ik ze zelf ook wel kunnen vertellen.
Een aardige buurvrouw ontfermde zich over me. Ze zette me bij haar aan de keukentafel en gaf me een kop warme chocola en een grote kokoskoek. "Suiker," zei ze, "Dat zal je goed doen." Eerlijk gezegd dacht ik niet dat wat dan ook mij nog goed kon doen, maar ik at en dronk alles braaf op.
Ik bleef een nacht bij de buurvrouw slapen, waarna ik werd opgehaald door mijn oom. Mijn oom en tante hadden één dochtertje. Ze woonden in een huis dat te groot voor ze was, waardoor ik en mijn hond makkelijk bij ze in konden trekken. Mijn nichtje deed me vaak aan mijn zusje denken. Die was ongeveer net zo oud geweest.
Ondanks alles leefde ik verder, want ik wist dat ik door moest gaan tot het einde. Niet omdat mijn familie dat had gewild, mijn familie was er niet meer en had niets meer over me te zeggen. Nee, ik leefde verder omdat ik wist dat het zinloos was om te sterven. Iedereen leeft zijn leven, iedereen is nuttig, of probeert tenminste nuttig te zijn, totdat iedereen onverwacht sterft. Want het einde komt altijd onverwacht.
Ik ben geen ander mens, eigenlijk ben ik nauwelijks veranderd, ondanks deze onverwachte gebeurtenis. Ik filosofeer nog steeds, ik ga nog steeds naar school, ik wandel nog steeds met de hond. Er is slechts één ding anders; ik denk nooit, nooit meer over de dood.
Reageer (2)
mooi
1 decennium geledenJa, 't is inderdaad heel anders dan die andere verhalen, maar ik vind het prachtig <3
1 decennium geleden