Spoor 4a
Ik vind Hato niet in zijn kamer, maar bij het raam in algemene ruimte waar we de boetes hebben gekeken. Hij kijkt strak het raam uit, en klemt zichzelf aan de vensterbank. Er hangt een dofheid over zijn gezicht die ik nog nooit eerder heb gezien.
“He, lieffie,” zeg ik. “Hoe voel je je?”
“Heb jij ooit geleerd wat wagenziek is?” vraagt hij.
Een lachje schiet over mijn lippen, maar zijn gezicht klaart nog niet op. Nu ik hem beter zie, is hij inderdaad nogal bleek.
“Je zou zeggen dat de treinen van het Capitool toch zo geavanceerd zouden moeten zijn dat niemand daar meer last van heeft,” zucht hij.
Ik woel hem door zijn haar. “Als er iemand dat soort treinen gaat ontwerpen, dan ben jij het wel.”
Het is even stil. “Doe dat nou niet,” mompelt Hato dan.
“Wat?”
“Praten alsof de Spelen al voorbij zijn.” Hij draait zijn blik naar mij, en ik zie tranen in zijn ogen. “Dat maakt het alleen maar moeilijker als… als je…”
“Hey… het is oké.” Ik veeg met mijn duim mijn tranen uit zijn ogen. “Ik weet gewoon dat jij het zou kunnen. Wil je het ergens ander over hebben?”
Hij haalt zijn schouders op. “Weet ik niet.” Hij kijkt weer het raam uit. “Ik dacht gewoon dat ik het cooler zou vinden om in zo’n trein te zitten. Maar ik ben eigenlijk vooral bang, voor wat er straks allemaal gaat komen.”
“Ik eigenlijk ook,” geef ik toe. “Maar aan niemand doorvertellen.”
Er breekt een klein glimlachje door op zijn gezicht.
“Ik vind het stom dat je hier bent. Omdat ik weet dat uiteindelijk…” Hij valt even stil. “Maar op een bepaalde manier vind het ook wel fijn. Voor nu in ieder geval. Het was allemaal zoveel enger geweest als ik het alleen had moeten doen.”
“Het was de bedoeling dat je hier helemaal niet zou zitten. Maar ik vind het ook fijn dat we voor nu samen zijn.”
We staren samen naar de horizon. Ik denk aan de woorden van Rex- Luc. Ik probeer me één van gezichten die ik vandaag via het scherm heb gezien voor de geest te halen. Als je eigen leven geven al moeilijk is, dan is het leven van een ander nemen nog moeilijker. Ik zie alleen de tweeling uit district Tien voor me, een boos meisje en een doodsbange jongen. Ik stel me voor dat ik ze- dat ik moet- om Hato te beschermen. Ik durf de gedachte niet eens te vormen. Ik probeer de gedachte weg te duwen, maar een stemmetje ver achterin mijn hoofd begint te roepen dat Luc een punt heeft.
Maar hij mag geen punt hebben, dat kan niet. Hato móet terugkomen naar Zes, dat kan niet anders. Als ik een makkelijker iemand uit kies, een grotere bedreiging, dan kan ik het vast wel kan rijmen in mijn hoofd. Eén van de Beroeps, misschien. Ik beeld me in dat de jongen uit Vier een drietand mikt op Hato die precies dan de andere kant op kijkt, en ik voel de woede opborrelen. De wanhoop maakt zich meester in mijn hoofd, en ik zie hoe ik op hem af-
“Wat heeft Luc tegen jou gezegd?”
Ik knipper en zie ik mijn broertje, ongedeerd. Dan weet ik dat ik het misschien wel kan, als ik mijn best doe. Als ik mezelf blijf herinneren dat niemand deze jongen iets aan mag doen.
“Dat ik moet werken aan klimmen en wonden genezen,” antwoord ik, mijn hoofd nog half in het tafereel. “Ik moest nog nadenken of ik beter wilde worden in vechten met vuisten, of een wapen wilde leren gebruiken.” Ik durf hem niet te vertellen over de andere helft van het gesprek. Niet tot ik hem kan geruststellen dat ik hem écht zal beschermen. “Wat heeft hij met jou besproken?”
“We zijn het erover eens dat ik een bondgenoot moet zoeken.” Hij zegt het zacht, bijna alsof hij niet wil dat ik het hoor. “En verder ga ik ook werken aan klimmen. En omgaan met een katapult.”
“Waar heb je een bondgenoot voor nodig?” Het komt er feller uit dan het in mijn hoofd klonk.
“Voor als… voor extra bescherming.”
Ik probeer in mijn hoofd te rijmen wat Luc’s ideeën zijn met deze strategie. “Wie hadden jullie in gedachten?”
“We hebben twee opties besproken. De eerste is mensen van mijn leeftijd, die me nuttige dingen kunnen leren. De tweeling uit Tien, bijvoorbeeld, of de jongen uit Vijf. De tweede is oudere mensen, die me kunnen beschermen. Meer mensen zoals jij. Ik moest nog nadenken welke ik liever wilde.”
“Uh huh.” Ik snap niet wat Luc bedoelt. Denkt hij dat ik Hato niet genoeg kan beschermen? Denkt hij dat ik vroeg ga sterven? Of probeert hij mijn broertje gerust te stellen, vrienden te laten maken, al is het maar voor heel even?
Mijn gedachten worden onderbroken als Flaminia’s stem uit de gang klinkt. “Hato en Miles! Eén voor één melden in mijn coupé alsjeblieft! We hebben nog een groot uur tot aankomst, en jullie hebben je állebei nog niet gemeld voor bespreking over jullie uitstraling!”
Ik wissel een blik uit met Hato. “Ga jij maar eerst,” zeggen we tegelijk. Mijn blik gaat heen en weer van hem naar de gang, en dan zie ik dat hij hetzelfde doet. Ik glimlach. “Ik ga wel.”
Reageer (3)
Het idee dat Luc gwn wil dat Hato vrienden kan maken voordat hij doodgaat... 17 uur geleden
ja awh true, u just gotta make the most of it sometimes
9 uur geledenLol
AU.
Dit is echt sad
i cry
9 uur geledenHAHAHA NIEEEETT omg Miki stan je bent een icoon dit is top
I love dat Hato wel accurate jong voelt!! Like het is echt wel een risico om klein broertje per ongeluk te schrijven als basically grote kleuter en zo voelt hij nu niet en dat is heel nice!! Good work
19 uur geleden
yaaaay ik heb daar wel echt mijn best voor gedaan dus ik ben blij dat het werkt
9 uur geleden