Hoofdstuk 7 (Herschreven)
In mijn hoofd heb ik de kamer al achter me gelaten. Diep ademhalen. De leegte na het afscheid voelt verrassend kalm - het is nu tijd om naar de trein te gaan, om te vertrekken naar het Capitool en voor het eerst de wereld buiten de grenzen van District 7 zien. Als de deur weer opengaat, heb ik mezelf genoeg herpakt om door te gaan, maar de verwachte stem van een vredesbewaker blijft uit.
In plaats daarvan stapt er een jongeman binnen. Hij steekt ongemakkelijk zijn handen in zijn zakken en laat zijn donkere haren bewust voor zijn ogen hangen, alsof hij zich er zo achter kan verbergen. Sprakeloos staar ik hem aan. "Ik… wat?" stamel ik met grote ogen. "Aron?" De aarzeling klinkt duidelijk door mijn stem als ik de naam van mijn broer uitspreek. Hij is hier. Na alle jaren dat hij weg is geweest en niets van zich heeft laten horen, staat mijn broer hier in de deuropening. Hij is ouder geworden - en met een schok besef ik me hoeveel Aron op mijn vader lijkt. De gelijkenis is niet te missen en zorgt voor een brok in mijn keel.
“Day. Hoi.” Mijn broer werpt een nerveuze blik over zijn schouder, maar haalt dan diep adem en recht zijn schouders. “Is het… vind je het oké dat ik er ben? Als je me niet wil zien, begrijp ik dat heel goed,” zegt hij aarzelend. Aron haalt een hand door zijn haren, waardoor zijn ogen nu zichtbaar zijn. In zijn donkergroene ogen flikkert een onzekerheid die nieuw voor me is - Aron was altijd degene die alles vol overtuiging deed, maar van dat vroegere zelfvertrouwen is nu niets terug te zien. “Sorry, ik had niet moeten komen. Ik kan ook gewoon weggaan anders-”
“Niet weggaan,” zeg ik vlug, zo snel dat mijn stem overslaat. Ik wil naar hem toelopen en hem tegenhouden, voordat hij weer verdwijnt, maar ik blijf staan. Het voelt onwerkelijk om hem na zoveel jaar te weer te zien - alle dingen die ik hem al die jaren had willen vragen zijn spontaan uit mijn geheugen verdwenen. Alle vragen en verwijten om zijn gedrag lijken onbelangrijk nu hij er eindelijk is. “Alsjeblieft.” De tranen prikken achter mijn ogen, maar ik knipper ze snel weg. “Ik… het is goed om je weer te zien.”
De jongen krimpt wat ineen, maar blijft wel staan. Hij draait zich niet om, hij loopt niet weg. In plaats daarvan stapt hij verder de kamer in, waardoor het niet meer lijkt alsof hij ieder moment uit de kamer zal verdwijnen. Opgelucht laat ik me op de bank zakken. Aron neemt plaats in de andere hoek van de bank. “Je… bent groot geworden,” mompelt Aron, terwijl hij me bestuderend aankijkt. Hij blijft even stil.
Ik schenk hem een zwakke glimlach. “Jij ook.” De laatste keer dat ik mijn broer gezien heb, is vijf jaar geleden. Op zijn vijftiende is hij weggelopen van alle spanningen en verantwoordelijkheden thuis. In mijn herinneringen was hij toen groot, oud en volwassen, maar de jongeman die nerveus naast me zit lijkt helemaal niet zo volwassen. Hij lijkt bang. “Hoe gaat het met je?” vraag ik zacht.
Aron kijkt verbaasd op, alsof dit wel de laatste vraag is die hij verwacht had. “Ik- wat? Waarom-” Hij schudt zwak zijn hoofd en lijkt niet te weten hoe hij zichzelf een houding moet geven. “Ik… het gaat goed.” Hij kijkt me vertwijfeld aan en ik knik even om hem aan te moedigen om door te praten. “Ik heb een relatie en we wonen samen, dus dat gaat goed. Ik werk al jaren in een kleine winkel. De eigenaresse en haar man hebben geen kinderen en ze hebben me vijf jaar geleden opgevangen nadat ik… een plek nodig had. Ze waren boden me tijdelijk onderdak in ruil voor werk en- daar ben ik soort van blijven plakken, denk ik.” Er speelt een glimlachje rond zijn lippen bij de gedachte aan zijn leven nu en ergens steekt dat een beetje. Hij lijkt gelukkig, veel meer dan toen hij nog thuis woonde. De verantwoordelijkheden die op hem kwamen te liggen na het overlijden van papa waren te zwaar voor een kind en het is duidelijk dat hij een betere plek heeft gevonden, maar het lukt me niet om alleen maar blij voor hem te zijn. Het is voor hem de beste keuze geweest om te gaan, maar waar hij er zoveel goeds voor heeft teruggekregen, heeft hij in ons gezin een gat achtergelaten.
“Ik… dat klinkt fijn,” zeg ik zacht. Ik meen het: ik ben blij voor hem. Toch kan ik mijn broer niet in de ogen kijken terwijl ik die woorden uitspreek. Ik begrijp dat hij is vertrokken - ik weet hoe zwaar het moet zijn geweest om alles op te vangen. Ik heb nog de ruimte gehad om de keuze te maken om de verantwoordelijkheden op te pakken, maar Aron en Kyra hadden die keuze niet. Ik weet dat ze het daar moeilijk mee hebben gehad, alleen… Ik begrijp niet dat hij nooit terug is gekomen, niet eens om even te praten. De vragen die al die jaren aan me geknaagd hebben, komen langzaam weer boven.
Mijn broer knikt instemmend en schuift even ongemakkelijk op zijn plek. “Hoe-” Een korte aarzeling. “Hoe is het thuis?” vraagt Aron dan. Heel even zie ik een storm van emoties in zijn ogen razen, maar ik krijg niet de kans om te ontdekken wat hij precies voelt. Mijn broer wendt zijn blik af en wringt nerveus in zijn handen.
Ik zou willen antwoorden dat het goed gaat, dat het met iedereen goed gaat en dat we ons prima redden - een antwoord waarmee ik hem gerust zou kunnen stellen. Ik zou willen dat ik dat kon zeggen, maar het lukt me niet om de jaren van problemen en zorgen te verzwijgen. Het gebrek aan eten wanneer het einde van maand nadert, de rekeningen die zich langzaam blijven opstapelen, het verdriet van mijn moeder. Alle korte nachten en eindeloos lange werkdagen die ik heb gemaakt om ons gezin overeind te houden. Het gaat niet goed thuis en ergens wil ik het niet verzwijgen. Ik wil dat hij weet hoe moeilijk het voor ons is geweest nadat hij besloten had om ervandoor te gaan. Ik wil dat hij weet dat het nog steeds niet makkelijk is - maar als ik mijn broer in de ogen kijk, kan ik die woorden evenmin uitspreken. In zijn ogen zie ik het schuldgevoel om zijn keuze van lang geleden; een schuldgevoel dat iedere seconde lijkt te groeien. “Het gaat,” begin ik aarzelend. Ik richt mijn blik op mijn handen. “Het is niet makkelijk, maar we- ze…” Mijn stem sterft weg. We hebben ons er steeds weer doorheen geslagen - de tegenslagen keer op keer overwonnen - maar ‘we’ heeft ineens een andere betekenis nu ik mee moet doen met de Hongerspelen. Ik schud die gedachte van me af en probeer er niet bij stil te staan. Niet nu. Ik probeer mezelf te herpakken, maar mijn stem trilt als ik weer begin te praten. “Ik heb je gemist.”
Het blijft stil en even ben ik bang dat Aron alsnog weg zal lopen, dat ik precies het verkeerde heb gezegd, maar dan legt hij zijn hand op mijn arm. Mijn broer komt eindelijk dichterbij zitten, maar ook in zijn woorden lukt het niet meer om de afstand te bewaren. “Ik heb jou ook gemist,” fluistert hij schor, “jullie allemaal. Ik… het spijt me.”
Ik blijf omlaag kijken, naar mijn handen, naar Arons hand op mijn arm. De opkomende tranen vertroebelen mijn beeld en deze keer knipper ik ze niet weg. Voor heel even laat ik het verdriet toe: verdriet om de verloren tijd, om alle zorgen van de afgelopen jaren en om alle zorgen die me nu te wachten staan. Eindelijk is mijn broer hier, maar nu is er geen tijd meer om alle verloren jaren in te halen - we hebben slechts de korte tijd van het afscheid. Ik adem diep in om mezelf wat te kalmeren en veeg mijn wangen droog. “Het is… je…” begin ik aarzelend. Ik hef mijn hoofd op en kijk mijn broer recht aan. Tranen glimmen in zijn ogen, ook al probeert hij ze weg te knipperen. “Je hoeft niet weg te blijven.” De spanning keert meteen terug in zijn houding en ik leg snel mijn hand op de zijne, voordat mijn broer zijn hand kan wegtrekken en weer afstand kan nemen. “Je kan terugkomen naar huis, Aron. Je hoeft niet thuis te gaan wonen, maar je kan weer contact zoeken. Ze hebben je nodig, zeker nu-” Ik maak een handgebaar naar de kamer om duidelijk te maken dat ik op mijn situatie doel, maar laat mijn hand snel zakken als ik zie hoe erg ik tril. Weer valt er een stilte, maar ik blijf Aron in de ogen kijken.
Mijn broer daarentegen wendt meteen zijn blik af, maar hij trekt zijn hand niet terug. “Hoe dan, Day?” zegt hij zacht. “Ik heb iedereen laten stikken en al die tijd niet het lef gehad om mijn eigen daden onder ogen te zien. Ik kan me niet voorstellen dat iemand van jullie me ooit nog wil zien.”
“Ik ben blij je te zien.” De kalme vastberadenheid in mijn stem verbaast ons allebei, maar ik twijfel geen moment aan mijn woorden. “Voor wat het waard is… ik vergeef je. En ik denk dat de rest van het gezin je ook zou kunnen vergeven als je terug naar huis komt.” Zacht geef ik mijn broer een bemoedigend kneepje in zijn hand. Hij lijkt verbaasd en kijkt me haast ongelovig aan. Ik knik voorzichtig, om de waarheid van mijn eigen woorden te bevestigen. “Mama mist je - en de rest ook.”
Nu verliest Aron ook het gevecht tegen de tranen. Zijn schouders schokken, maar hij veegt de tranen meteen weg in een halfslachtige poging om zichzelf weer te kalmeren. “Ik… ik zal erover nadenken,” zegt hij zacht en even lijkt mijn broer niet veel ouder te zijn dan de gefrustreerde tiener die jaren geleden wegliep van huis. Jong en kwetsbaar - zijn houding straalt onzekerheid en spanning uit. Dan kijkt hij weer op en zie ik nog iets anders in zijn ogen: bewondering. “Ik snap niet hoe je dit doet, Day,” begint Aron hoofdschuddend. Er speelt een flauw glimlachje rond zijn lippen. “Mijn kleine broertje is echt volwassen geworden.”
Een klop op de deur geeft aan dat onze tijd erop zit. Na vijf jaar is dit afscheid alle tijd die we hebben - het kan onmogelijk genoeg zijn. Ik sluit mijn ogen kort, alsof ik het zo nog even buiten kan houden. Het werkt niet, natuurlijk. Aron staat op en steekt zijn handen in zijn zakken. “Ik… kan beter gaan, denk ik.” Hij aarzelt even, maar knikt dan zwak. “Moge de kansen immer in je voordeel zijn, Day,” zegt hij formeel. Met die woorden loopt mijn broer richting de deur. Heel even had ik mijn broer terug, om hem nu weer kwijt te raken.
“Aron, wacht.” Zonder erbij stil te staan, hebben de woorden mijn mond al verlaten. Mijn broer blijft staan, maar zijn schouders staan gespannen als hij me vragend aankijkt. Ik bijt op mijn lip en duw alle verzoeken die door mijn gedachten razen ver weg. Ik heb hem al gezegd dat ik wil dat hij naar huis komt. Hij weet hoe ik erover denk - hij heeft het recht om zelf zijn keuze te maken. Geen verzoeken nu. In plaats daarvan glimlach ik zwak naar hem. “Bedankt dat je bent gekomen.”
Het lukt hem niet om terug te glimlachen. De jongen krimpt een beetje ineen onder mijn woorden en wendt zijn blik af, alsof de vriendelijkheid van mijn woorden hem nog harder raakt dan een verwijt gedaan zou hebben. “Ik-” stamelt hij onzeker. “Bedankt dat je me er niet meteen uitgetrapt hebt.” Mijn broer zoekt steun bij de deurpost en kijkt me aan, met een razende storm in zijn ogen. “Succes, Daniel.” Hij lijkt meer te willen zeggen, verborgen beloftes en hoopvolle wensen, maar in plaats daarvan knikt hij me een laatste keer zwakjes toe en verlaat hij de ruimte.
Reageer (2)
en toch kom je naar het afscheid hmmmmmm
Aron is hopeloos ingewikkelddddddd maar hij is gekomen dat is een eerste stap???? 1 week geleden
En helaas ook de laatste stap voorlopig aangezien Day nu mee gaat doen met de Hongerspelen maar beter dan niets??
1 week geledenJa ksst
Ja we moeten doen waar we goed in zijn hè
En wat was jij Daniel??? Een eenhoorn??
Doe ns een gok
Alleen niet genoeg
Dit is Days voor "ga wat voor de familie doen zak"
Ook Mara? Ik geloof er niets van
Man man man ik snap dat Chris flipt als ie over het bestaan van deze dude hoort want ik word al boos van hem 1 week geleden
Chris??? Is this u???? Savage man

1 week geledenNee, geen eenhoorn, gewoon heilig overtuigd van zijn eigen leugen en de parentification going strong
Chris en ik zijn gewoon allebei Aron haters. Heeft ie verdiend
1 week geledenik geniet van de Aron haat in je comment Sam lmao, channel je innerlijke Chris
1 week geledenZal ik doen
1 week geleden