De ochtend bracht Tamzin geen antwoorden. De gehele nacht was hij wakker geweest en waren zijn gedachten alle kanten op gegaan. Wie was de man geweest? Waar zou hij heen moeten rennen? Hoe zou hij aan de boeien ontsnappen?
Misschien was het ook maar goed geweest dat hij zich op dat mysterie kon richten. Het was beter dan de gehele nacht wakker liggen en weten dat je zou sterven wanneer de zon weer opkwam.
Het ontbijt was amper een ontbijt te noemen, zelfs voor Tamzins begrippen. Hij snapte het wel, aan de doden werd geen eten verspild. Het enige dat hij kreeg, was een klein zoetruikend gebakje. Een laatste maal, een laatste traktatie van iets wat niemand in deze cellen ooit zou kunnen betalen.
“Hier, eet,” zei de bewaker. Zelfs woorden werden niet verspild aan de doden. Tamzin knikte.
“Bedankt,” zei hij. De man knikte licht. Misschien ging het niet om woorden verspillen. Misschien was deze baan enkel dragelijk als je de gevangenen niet als mensen zag. Elke dag mensen zien passeren, weten dat ze zouden eindigen bij het schavot, gestraft voor hun daden, hun leven vergooid. Weten dat ze geen 24 uur meer te leven hadden, dat moest een tol eisen van de mensen die hier werkten. Het was eenvoudiger om monsters naar de slacht te sturen.
Het gebakje was net zo zoet als de geur die er vanaf kwam. Tamzin nam kleine hapjes, om zijn smaakpapillen de kans te geven de smaak zo diep mogelijk in zich op te nemen. Hoe graag wilde hij dat hij zich volledig kon overgeven aan de rijke smaak, maar zijn hart klopte gestaag verder in zijn borstkas, en met de hartslag was Tamzin zich er meer van bewust dat zijn einde steeds meer naderde. Het was bijna ironisch, hij zat hier voor één brood, en kreeg in ruil daarvoor gebakjes die hij nooit betaald zou kunnen hebben.
Het duurde niet lang voor er opnieuw voetstappen door de gangen klonken, en Tamzins cel werd geopend. Hij stond op.
“Kom.” Weer een enkel woord, weer een enkel bevel. Tamzin stapte de cel uit, om begeleid door vier bewakers door de cellen te lopen. Terwijl hij de andere cellen passeerde, stonden de andere gevangenen op. Een enkeling durfde het aan om zijn hand tegen zijn hart te leggen, een laatste teken van respect. Veel van hen zaten hier om hun straf uit te zitten, wisten dat ze na een afranseling en een periode van enkel stenen muren weer de straten zouden betreden. Eenieder wist dat dat lot niet voor Tamzin was weggelegd.
De zon was fel aan Tamzins ogen na die uren van schemer en donker. Hij kneep ze bijna dicht om niet verblind te worden, maar dwong zich na enkele seconden om ze toch weer te openen. Hij wilde geen seconde missen van de lucht.
Het was de stadskern waar hij naartoe werd geleid. De schoenen van de bewakers ritmisch op de keien en de modder, en zijn voetstappen veel lichter en net buiten het ritme. Op het plein stond een houten schavot, een stille dreiging voor iedereen die de boodschappen deed. Ditmaal hing er een touw.
Het was maar goed dat Tamzins voeten de beweging van trappen lopen zo vaak gedaan hadden, want Tamzin wist niet hoe hij anders het houten trappetje betreden had. Alles in hem schreeuwde om die treden niet op te lopen, om niet op dat houten podium te gaan staan. En tegelijk voelde het zo onwerkelijk aan, alsof hij van een afstand naar zichzelf stond te kijken. Hij zag wel hoe hij het podium betrad. Hoe hij voor de menigte stond, de lus van de strop vlak voor zijn gezicht bungelend. Hij wist nog niet of hij zich vereerd of beledigd moest voelen dat er zoveel mensen waren uitgelopen om hem te zien sterven.
De magistraat las de woorden voor en hoewel Tamzin de klanken wel hoorde, kon hij de betekenis niet in zijn hoofd krijgen. Maakte het ook iets uit? Hij wist wel wat de strekking van het verhaal moest zijn. Crimineel. Dief. Verdient te sterven voor zijn daden. Liever hoorde hij de vogels nog fluiten en de paarden briesen. Maar deze geluiden werden overspoeld door het gefluister van de menigte.
De magistraat was uitgesproken en draaide zich naar de beul toe. Een enkel knikje, dat was alles wat gegeven werd. Het teken voor de beul om naar voren te stappen. Het teken om Tamzin zijn laatste biecht te vragen en de strop om zijn nek te gaan leggen. Tamzin had het al zo vaak zien gebeuren, verscholen in de menigte waar niemand hem kon zien. Nu kon iedereen hem zien.
"Pluk de roos," klonk het over de menigte, net toen de beul voor Tamzin stond. "Ren!"
Hoe wat waar. Echt tijd om zich over die vragen te buigen had Tamzin niet. De woorden werden gevolgd door een grote knal, en nog een en nog een. Langs de randen van het plein, en ook aan de achterkant van het schavot. Door de kracht van de explosie werd Tamzin met volle kracht van het podium gesmeten.
Tijd om zich de pijn te realiseren, om zich te realiseren wat er gebeurde had Tamzin niet. Hij had maar één missie: ren! De menigte was in paniek, ze schreeuwden, ze renden, ze luisterden zeer zeker niet naar de aanwijzingen van de bewakers die hun best deden de orde terug te laten keren of de schuldigen te vinden. Niemand had oog voor de jongeman in boeien die in de modder lag.
Hij stond op en zo snel als zijn benen hem konden dragen begon hij te rennen. Weg van de wachters voor ze zijn vertrek doorhadden. Weg van de paniekerige menigte. Weg van het schavot.
Weg van zijn vastgelegde lot. Weg van zijn dood.
Hij rende en rende, door de straten die zo bekend waren. Ergens achter hem hoorde hij geschreeuw, een stem die riep dat hij moest blijven staan. Toen hij over zijn schouder keek, en daarbij bijna tegen een muur aan liep, zag hij hoe een aantal zwaarbewapende bewakers achter hem aan kwamen. Hij kon enkel zijn pas versnellen. De vreemdeling had gelijk gehad, dit was zijn kans om te ontsnappen. Om te leven. Wat zou er gebeuren als ze hem te pakken kregen? Clementie zat er in elk geval niet in. Met wat geluk zouden ze hem enkel ophangen. Maar met de explosies, met de ring die in zijn zak brandde, zou dat ijdele hoop zijn. De dood zou genadig zijn.
De modder van de straten plakte aan zijn voeten terwijl hij alsmaar rende. Zijn hart bonkte in zijn borstkas, zijn longen schreeuwde om lucht, maar Tamzin durfde niet te vertragen. De stemmen van de wachters waren weggestorven, maar daarop kon hij niet vertrouwen. Hij kon nergens op vertrouwen.
Toen hij eindelijk vertraagde in tempo, was het enkel omdat zijn gehele lichaam hierom riep. Het liefste was hij blijven rennen tot hij Maugave achter hem had gelaten. Of niet. Maugave was alles wat hij kende. Hij kende de straten, kende de mensen, wist waar eten te vinden was. Het was geen echt thuis, maar het hield hem in leven, hield hem bijna veilig. Hoe kon hij dit achterlaten?
Hoe kon hij blijven op een plek waar men hem dood wilde hebben?
Het was deze keuze waar hij in op ging, terwijl hij zijn lichaam zo hard probeerde te dwingen om lucht in zijn longen te krijgen, om te herstellen. Hij kon niet moe of buiten adem zijn van het rennen, hij had grotere problemen, zoals de boeien om zijn polsen of het feit dat de gehele stadswacht inmiddels naar hem op zoek zou zijn.
"Heb je hulp nodig met die boeien?" Klonk een stem. Tamzin kon enkel lucht in zijn longen proberen te krijgen.

Reageer (1)

  • syllie1992

    Ik ben heel benieuwd hoe dit verder gaat.
    Je hebt het weer goed geschreven :)

    10 uur geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen