Deel 5: Hiën 'Jenny_1'
“Hallo jongens.” Ik ben verre van verbaasd hen hier te zien. Het voelde aan dat ze dichtbij waren. Gale heeft het blijkbaar niet aangevoeld, en hij was zelfs op zoek naar ons, toch? Achter me komt Alia binnen. Zij heeft haar boog gespannen, maar ook zij kijkt niet verbaasd.
“Philippe.” mompelt ze binnensmonds.
Lolan laat met open mond Philippe weer op zijn voeten zakken, waarop Philippe begint te hoesten en zijn kleren weer in de plooi trekt.
“Mooi zo, jullie zijn er allemaal!”
Ik gebaar met Gladiris dat hij zijn mond moet houden en ik richt met tot Gale.
“Hoe wisten jullie dat we hier waren? Waarom zijn jullie gevolgd?”
Ik klink bars, maar als ik eerlijk ben, ben ik wel blij. Het betekent dat ze toch wel wat over hebben voor ons en niet zomaar afwachten.
“We kregen het gevoel dat jullie in de problemen waren.” reageert hij. “De steen in mijn boek begon te gloeien.”
Terwijl hij dat zegt laat hij het boek met de edelsteen zien. We zijn allemaal verbonden, hoe het kan, geen idee, maar toeval is allang uitgesloten. Ik voel de priemende ogen van Philippe.
“Wat voor steen! Laat zien!” zegt hij dwingend.
Aarzelend toont Gale het boek, zonder het los te laten. Philippe strekt zijn arm uit, maar net voor hij het aanraakt trekt Gale het terug.
“Het spijt me zeer Philippe, maar we kunnen er gewoon niet vanuitgaan dat je te vertrouwen bent. Ons hele leven lieg je, je bent een Pelindung met wie weet wat voor extra krachten, van onze stenen blijf je af.”
“Stenen?” Philippe’s stem schiet de hoogte in. “Dus jullie hebben er al meerdere te pakken, goed zo. Binnenkort zijn alle stenen verenigd met het doel.”
“Waar heb je het over.” Roep ik nog vrij beheerst, ondanks alles.
Meteen staart hij me aan zonder te antwoorden. Ik schud mijn hoofd.
“Dat is niet wat er nu toe doet, je antwoordt toch maar in raadsels! Ik wil nu weten waar mijn ouders zijn en wat voor wezens er in de naam der Goden voor mijn huis stonden.”
Philippe haalt diep adem, zo te zien is hij wel voorbereid op deze vraag.
“Een hele tijd nadat je hier uit het dorp bent weggegaan zijn ze gekomen. Ze begonnen de dorpelingen te ondervragen, martelen was niet nodig, met hun ogen konden ze genoeg schrik aanjagen. Tot ze bij je ouders kwamen.”
Hij kijkt me medelevend aan.
“Je moeder is na een paar dagen gevonden, overleden doordat haar keel doorboord werd. Je vader namen ze mee, van wat ik gehoord heb heeft Jafar je vader nu bij hem. Hij wil informatie, maar die kan je vader niet geven, zelfs niet als hij het wist of het zou willen.”
Mijn adem stokt in mijn keel, ik had verwacht dat ze dood waren, maar nu is het officieel, ik heb geen moeder meer en mijn vader zal waarschijnlijk niet lang meer leven. Tegen Jafar kan ik niet op, zeker niet met de creaturen die blijkbaar van hem zijn.
“Wat bedoel je met een hele tijd? Jenny heeft ons verteld dat ze net voor we elkaar ontmoetten weg is gegaan hier.”
Gale stelt de belangrijke vragen, maar het irriteert me. Waarom moet hij nu zo logisch zijn bij dit nieuws. Ik wil naar buiten lopen, weg van dit alles, kijken of mijn vader toch nog hier is. Misschien heeft Philippe ongelijk. Ik draai me om en wacht niet op antwoord, Gale zal het wel samenvatten straks. Nu mijn ouders er niet meer zijn, heb ik nergens meer om naar huis te gaan. Deze groep, hoe raar ze ook zijn, is nu mijn thuis.
Ik spurt de smidse uit, ik heb zoveel goede herinneringen hier. Mijn vader bracht me hier vaak omdat ik zo van het geluid van metaal op metaal hield. Er staat een mandje achterin waar mijn moeder me in achterliet als ze weg moest heeft ze me verteld. Ze vertrouwden Philippe volledig, maar ze kunnen nooit geweten hebben dat hij niet eens een mens was, toch?
Philippe kwam ook wel eens eten bij ons, hij was erbij met mijn verjaardag toen ik sparky kreeg.
Sparky!! Oh nee, mijn lieve kleine parkiet! Zou hij het wel overleefd hebben? Ik weet dat dat niet waar kan zijn. Het huis ligt in de as, waarom zouden ze dat arme vogeltje hebben laten leven.
Plots wordt er een hand op mijn schouder gelegd. Ik draai me om, voor een keer zonder gevechtspositie en zie Yasmine staan. Yasmine is een vriendin waar ik wel eens mee rond het dorp liep, vorige week zelfs nog. Niet dat we heel close waren, maar het was wel gezellig.
“Jenny! Gelukkig je bent ok! Het is zo lang geleden, we dachten dat ze je te pakken hadden! Het is zo erg wat er met je ouders gebeurd is!”
Ik glimlach. “Hey Yasmine, dankje, ik heb het net gehoord. Ik weet nog niet wat er precies gebeurd is, maar die 2 creaturen zullen niet snel verslag gaan uitbrengen aan hun baas, daar is al mee afgehandeld.”
Ik weet dat ze dit niet van mij gewoon is, ik ben nooit echt agressief geweest, dus schrik ik van mezelf. Maar het is waar ze hebben hun verdiende loon gekregen.
“Ik moet nu alleen nog mijn vader terugvinden, alleen ben ik bang dat dat onmogelijk is.”
Yasmine kijkt me geschrokken aan. Ze zwijgt even alsof ze naar woorden moet zoeken.
“Ik snap ook niet goed waarom ze jou zochten. Je was plots verdwenen en na een paar weken stonden ze ineens in het dorp.”
Meteen kijk ik haar strak aan.
“Een paar weken? Ik ben nog maar een week weg. Ik moet toegeven dat ik tijd niet zo goed kan bijhouden in Magiallis, maar het kan niet zolang geweest zijn.”
Verward als ze is antwoord ze niet meteen dus blijven we elkaar maar gespannen aankijken.
“Jenny,” zegt ze voorzichtig, “het is al een paar maanden geleden dat we je nog gezien hebben in het dorp.”
“Nee!” roep ik, “dat kan niet, vorige week hebben we elkaar nog gesproken, je liegt.”
Langzaam schud ze haar hoofd. En ik weet niet meer wat zeggen, ik zie dat ze het meent. Wat kan er gebeurd zijn? Ik heb geen enkele verklaring. Misschien weet Gale raadt.
“Sorry Yasmine, maar ik moet gaan, ik moet dit verder uitzoeken, en dat kan maar op 1 manier. Bye!”
Meteen spurt ik weer weg, ik ben een eind van de smidse af, ik ben in mijn overpeinzingen en verdriet te ver weggelopen, maar dit is nu belangrijker. De angst duwt de pijn opzij en neemt bezit van mij. Mijn hand gaat naar de knop van het zwaard, Gladiris voelt altijd vertrouwd en het versterkt mijn zintuigen. Misschien is het daardoor, of is het puur toeval, dat ik in de verte een meisje opmerk. Ze staat aan de andere kant van de straat naar me te staren. Er is iets mis met haar, haar bruine ogen en glimlach zijn angstaanjagend. Ze doet geen moeite om dichter te komen, maar ik weet dat ze gevaarlijk is. Met haar wil ik niet in 1 ruimte zijn. Ik kijk even voor me en in een oogwenk weer terug, maar ze is verdwenen. Dat is het griezeligste van alles. Ze kan overal opduiken, maar ik moet weg van haar, ik weet dat ik met mijn zwaard geen schijn van kans heb. Hoeveel edelstenen er ook in zitten.
Daar is de smidse weer, ik ben benieuwd of zij ook al weten dat we langer onderweg zijn dan we kunnen vermoeden. Of ben ik het alleen misschien?
Ik zet het op een lopen, de angst klopt in mijn keel. Voortdurend kijk ik heen en weer of ik haar niet toevallig zie. In volle vaart bots ik op iets, nog voor ik kijk wat het is, weet ik dat zij het is.
“Hallo daar, Jenny, jij hebt vast wel tijd voor een klein gesprek.”
Haar priemende ogen zijn nog intenser dan vanop een afstand. De zwarte kledingstijl maakt de angst nog groter. Haar geur dringt mijn neus nu ook binnen, het past niet bij haar, het lijkt op … kersenbloesem? Ze zou naar de dood moeten ruiken, niet naar zoiets moois. In haar hand houdt ze een zwarte staaf waarmee ze dreigend mijn richting uitkomt.
Ik had verwacht dat wanneer ze zo dicht zou staan, alle moed uit mijn lichaam zou worden gezogen, maar niets is minder waar. Gladiris en de steen sterken me en terwijl zij haar zwarte staaf mijn richting uit steekt beweeg ik soepel om het te pareren met Gladiris.
De grijns op haar gezicht verraadt dat ze het leuk vindt dat het niet te gemakkelijk gaat. Meteen slaat ze opnieuw toe langs onder. Meteen dans ik er rond in plaats van te pareren en steek naar de plaats waar ze zou moeten staan. Mijn verbijstering is dan ook groot dat ze zich half laat vallen om de stoot te ontwijken. Meteen duikt ze langs me en drukt de staaf in mijn nek.
De pijn die zich daaruit uitbreidt is onbeschrijfelijk. Ik snak naar adem, mijn benen kunnen mijn gewicht niet meer dragen en Gladiris valt uit mijn handen. Het laatste dat ik zie de grond raak en alles zwart wordt is de grijns van de onbekende vrouw.
Na een tijdje word ik weer wakker, ik weet dat ik nog in het dorp ben, ik herken de geur en het geluid. Volgens mij is dit het pakhuis waar we die twee sissende creaturen vernietigd hebben.
“Kijk eens aan wie wakker is, je had je slaap nodig zo te zien.” Ze grijnst breed. Mijn ogen zoeken en vinden Gladiris meteen, hij staat tegen de muur achter haar. Meteen kijkt ze achterom.
“Je denkt toch niet dat je zwaardje mij aankan he, herinner je wat er al eerder gebeurd is? Je bent een zielig meisje dat de idealen van Ja’afar in de weg staat.”
“Maar het is niet jij die ik hebben moet, je magische vriend, Gale. Als ik hem kan laten zien dat Ja’afar de enige echte leider is die goed voor zijn volk zorgt, dan kan hij aan onze kant komen. Jullie 3 … wel, minder belangrijk, zijn magie is te sterk om onopgemerkt te blijven.”
Ik ben niet meer bang, geen idee waarom, maar als ze me had willen doden of pijn doen, dan had ze dat wel gedaan, niet?
“Waarom zit ik hier dan? Als ik toch geen waarde voor je heb?”
“Je hebt me verkeerd begrepen, ik heb nooit gezegd ‘geen waarde’ je bent weldegelijk waardevol. Maar dan om hem te overtuigen.”
Ze brengt de zwarte staaf weer mijn richting uit en ik zie haar ogen blinken. Ze weet dat ze me pijn kan doen en ze vindt het nog leuk ook!
“Ik wil niet dat je schreeuwt, als je schreeuwt, maak ik het nog erger, begrepen.”
Ik knik dat ik het begrijp, maar eigenlijk snap ik niet wat ze bedoelt, met die staaf ga ik meteen buiten bewustzijn. Dan kan ik niet schreeuwen, toch?
Dan raakt ze me met de staaf mijn nek. Meteen sla ik achterover en schreeuw het uit. De pijn is ondraaglijk, wat voor magie is dit.
“Nenja heeft nog zo gezegd dat je het niet mocht uitschreeuwen!” zegt ze streng en teleurgesteld.
“Misschien kan ik uit jou ook wel wat informatie krijgen, vertel eens, wat zijn jullie 4 van plan.”
De staaf rust op mijn knie en ik voel dat mijn been verlamd is van de pijn, het voelt alsof er een bijl in zit. Ik knik nee naar de vrouw, gewoon omdat ik niets kan zeggen.
“Ooh je wil niet zeggen, stoer hoor, maar ik ben heel nieuwsgierig, praten zal je.”
Ze ramt de staaf in mijn buik, ik klap voorover en verlies het bewustzijn voor de tweede keer.
Er zijn nog geen reacties.