Deel 5: Hiën 'Alia_1'
Dus dit is Hiën? Het is warmer dan ik verwacht had. We staan dan ook op een heuvel omringd door zand. Ik zie wel een witte bloem groeien. Ik buk om ernaar te kijken, het is het enige dat nog logisch is. De wereld rond mij voelt vreemd aan, ik hoor hier niet thuis. Ik zie bijna geen bomen, geen groen, enkel hier en daar een of andere vreemde plant met naalden en dan de bloem hier op de heuvel. Verderop richting het dorp staan er wel meer bomen. Voorzichtig, zonder me echt te forceren trekt Jenny aan mijn hand. Zonder iets te zeggen sta ik weer recht en volg ik haar de heuvel af.
Hoe verder we lopen hoe meer beweging ik begin te zien, een kleine spitse muis die schichtig weg duikt als we langslopen, grote vogels die in de verte cirkelen, in het dorp hoor ik een hond blaffen en zo veel meer. Mijn zintuigen zijn volzet met de nieuwe informatie, ik heb even tijd nodig, maar die krijg ik niet. Jenny wordt steeds enthousiaster om haar weg naar huis te vinden en dus gaat ze sneller lopen. Eenmaal we in het dorp zijn vliegen we langs de gebouwen, een keer lopen we bijna een oude vrouw omver waardoor haar mand met appels op de grond valt. Jenny en ik excuseren ons gelijktijdig, maar lopen nog wel door. Het is werkelijk een doolhof van straten.
“Hoe heet dit dorp Jenny?”
“Oldale, hier ben ik geboren en getogen. Kijk! Dat is het huis van de oude Carolien, ze was vroeger kleermaakster, maar haar handen konden niet meer zonder beven. Ze wil toch niet zomaar gaan zitten en niets doen dus gaat ze nu rond in het dorp om de andere oudjes te helpen waar nodig.”
Ik knik alleen maar, ik ben nog niet klaar voor een echt gesprek. Het is nu veel moeilijker dan toen we in Sinnih waren. Misschien omdat het frisser was, of andere lucht, of omdat we met de hele groep waren, dit is anders. Maar eigenlijk is het nog wel aangenaam. Langzaam begin ik het hier een kans te geven. De kleine schattige huisjes, helemaal wit met een strooie daken, waarschijnlijk hebben ze hier niet vaak last van koude. Er is enorm veel bedrijvigheid, daar loopt een vrouw met was over straat, zo te zien moet het nog opgehangen worden.
“Nog één straat, dan zijn we er!”
Ik ben oprecht benieuwd naar haar vermeende ouders. Ze moeten echt wel fantastisch zijn als Jenny zo graag terug wil zijn.
“Hier is het huis van Geraldine, daar woont Jacob en wat verder, naast het schuine huis zie je dat van mij.”
Dan stopt ze plots, ik staar haar verbaasd aan en volg dan haar blik. Ze kijkt in de richting van het schuine huis, maar daarnaast is niets anders te zien dan puin. Als er ooit een huis gestaan heeft is dat nu compleet verwoest.
“Nee …” uit ze vol ongeloof.
“Nee!”
“Nee, dat kan niet, het is niet waar.”
De tranen in haar ogen beginnen te blinken als ik mijn arm om haar sla. Het huis van haar ouders is weg. De plaats waar ze zich zo goed voelde, haar verleden, eigenlijk zelfs haar alles. Wat kan er gebeurd zijn? Is het een ongeluk? Leven haar ouders nog wel of zijn ook zijn weg.
Wanneer we dichter bij het huis komen zie ik ook nog een rare man en vrouw staan, ze dragen beschermende uitrusting en een speer in hun handen. 1 moment kijk ik de vrouw in haar ogen en ik zie dat er iets niet klopt. Ik kan er mijn vinger niet opleggen, maar ze zijn niet menselijk. Hun huid heeft ook een kleine tint andere kleur, dat kan gewoon gezichtsbedrog zijn, maar de ogen niet, dat maakt veel duidelijk. Meteen slaat een schrik me om de hals en wil ik zo snel mogelijk weglopen. Jenny lijkt het niet gezien te hebben, ze blijft doorlopen naar het rare duo en het puin.
Op hetzelfde moment dat ik Jenny wil stoppen trekt er iemand aan mijn schouder. Meteen in gevechtsstand draai ik me om. Ook Jenny lijkt het nu gemerkt te hebben want ik hoor haar zwaard uit de schede komen, in een ogenblik verschijnt de punt van het zwaard naast me in de richting van onze achtervolger.
“Jenny, Alia! Nu meekomen! “fluistert de figuur indringend. Het is Philippe weer. Wedden dat hij er voor iets tussen zit? Misschien heeft hij zelfs expres het huis laten instorten om ons te straffen dat we hem in Sinnih zijn gaan opzoeken.
“Waarom zouden we dat doen?” zeg ik luid genoeg dat mensen rond ons het kunnen horen.
“Stiller! De 2 figuren aan het huis, ik kan dat uitleggen, maar als ze ons zien hebben we niet lang meer te leven. Kom nu mee!”
Zonder verdere uitleg draait hij zich om en spurt hij weg.
Even kijken Jenny en ik elkaar aan en knikken we, nieuwsgierigheid zit in ons bloed en eerlijk, er klopt inderdaad iets niet met die twee figuren.
“Uhm Alia, probleem, ik vrees dat ze ons gezien hebben.”
pijlsnel draai ik me om en is mijn boog geladen. Inderdaad, ze hebben ons gezien, meer bepaald de vrouw van het duo. Ze waarschuwt net de man.
“Lopen Jenny! Volg Philippe”
“Dat is niet nodig, ik weet waar hij naartoe gaat, we moeten ze eerst kwijtspelen.”
Geen discussie is meer mogelijk want het duo spurt op ons af. Jenny trekt aan mijn arm en dwingt me tussen gebouwen door te lopen. Mijn boog kan ik nu niet meer vasthouden op een manier om meteen een pijl te kunnen vuren, maar dat is ook niet nodig denk ik. Het duo kent het hier waarschijnlijk net zo goed als ikzelf dus ik moet Jenny vertrouwen. Was Gale maar hier, hij zou wel een oplossing weten.
Door het zigzaggen tussen de gebouwen ben ik al snel mijn oriëntatie kwijt. Iets wat ik verschrikkelijk haat. Als jager mag je nooit de weg kwijtspelen, zo vermoord je jezelf. Maar dit is een dorp, dat is anders. Hier ben ik niet thuis, hier zijn er andere oriëntatiepunten en niets waar ik me aan kan vasthouden.
Uiteindelijk trekt Jenny me een gebouw binnen, het lijkt een leegstaand loods.
“Hier worden alle overschotten aan voedsel opgeslagen, zoals je ziet is er dit jaar niet zo erg veel meer opgeslagen. In elk geval zouden ze ons hier niet mogen vinden.”
Voor de zekerheid verbergen we ons toch achter een baal stro en staren we naar de deur.
De tijd kruipt voorbij, het is of Chrona zelf er een zegje in heeft. Hoe langer het duurt, hoe opgeluchter ik adem durf halen. Nu zullen ze wel niet meer langskomen, toch?
“Waarheen nu, Jenny? Waar is Philippe heen gegaan?”
“Weet je nog dat ik zei dat hij hier in het dorp smid was? Daar moeten we heen, het is niet zover van mijn eigen huis, dus misschien zijn mijn ouders er ook.”
De hoop, maar ook wanhoop, klinkt door haar stem, ze durft niet toegeven aan het feit dat haar ouders er waarschijnlijk niet meer zijn.
Voorzichtig staan we recht en wandelen we naar de deur van de loods. Jenny is het moedigste en stapt buiten. Ze kijkt rond en wenkt me om mee te komen.
“Ok, nu niet laten merken dat we op onze hoede zijn voor achtervolgers. Dan hebben ze ons sneller in te smiezen.”
Aan de hoek van de loods stapt een grijnzende vrouw tevoorschijn. Zij is het! Heel synchroon draaien Jenny en ik ons om naar de andere richting, daar staat de man, met een lelijk litteken over zijn gezicht. De huid is asgrauw en die ogen. Zijn zijn smaller dan normaal, irissen hebben ze niet echt, dat is wat er mis is. De pupil staart ons als een donker gat aan.
In een vloeiende beweging zit mijn eerste pijl op mijn boog, Jenny aan mijn rug met haar zwaard in de hand. Dit wordt een strijd. We hebben nu de jongens meer dan ooit nodig, maar we zullen het zelf moeten doen. We kunnen het wel, we hebben al eerder bewezen dat we ons mannetje kunnen staan.
Na het intimidatie stukje komt het neer op het werkelijke gevecht, eens zien wie de bovenhand heeft hier. De man vliegt als eerst op ons af met een scherp voorwerp, het heeft wat weg van een dolk, in zijn hand. Het lijkt versmolten in zijn huid. Mijn instinct zegt me naar waar ik een pijl moet schieten. Ik schiet midden van de lucht, als de man had blijven staan dan zou de pijl nooit raken, maar door zijn beweging raakt de pijl hem boven zijn pols. Door de kracht die de pijl geeft vliegt de man opzij en valt op de grond. De pijl heeft zijn arm doorboord, maar hij laat geen kik. Achter me voel ik dat Jenny in een strijd verwikkeld is met de vrouw. Ik weet niet waarom, maar ik maak me geen zorgen om haar, ik weet gewoon dat ze het zal winnen. Dan voel ik een schokgolf en sta ik plots in het midden van een oranje cirkel. Het geluid van metaal tegen bot is weerzinwekkend, maar ook opzwepend. De man voor me staat weer recht en in een flits staat hij veel verder van mij af en maakt een werpbeweging. In een fractie van een seconde heb ik door dat het zijn dolkachtige iets is. Instinctief leg ik een pijl aan op mijn boog. In dat kleine moment vonkt de steen die in mijn boog zit. Het groene licht breidt zich uit en nu is de cirkel zowel oranje als groen. De kleuren vermengen zich niet, maar vullen elkaar aan. Als we niet in een gevecht op leven en dood waren verwikkeld zou ik verbaasd genieten van deze pracht. Ik voel dat het licht mij kracht geeft en mij bijstaat in het gebruik van mijn boog. Dit alles is in een oogwenk gebeurd en ik laat mijn pijl los. De pijl vliegt doorheen de dolk en ik zie de man ineenkrimpen van de pijn. Pas daarna raakt de pijl hem midden van zijn neus. Ik zie hem verschrikt kijken naar de pijlstaart die uit zijn gezicht steekt, alsof hij het niet kan geloven. Dan zwelt hij op en spat hij in zwarte schilfers uit elkaar.
“Dussss jullie zijn het echt!” Klinkt een sissende stem achter me. “Jullie magische vriend vermoordde de draak, jullie hebben geen idee hoe zwaar jullie gestraft zullen worden.”
Ik draai me om naar de stem en ik zie Jenny net haar zwaard over de gehele lengte van de vrouw klieven. Terwijl de vrouw in elkaar zakt, spat ook zij uit elkaar in zwarte schilfers.
Langzaam trekt zowel het groene als het oranje licht weg en staan Jenny en ik hijgend op straat.
“We gaan nu naar Philippe.” Jenny klinkt kordaat, alsof ze geen tegenkanting duldt. Niet dat ik van plan was te protesteren, ik ben te zeer onder de indruk. Het waren geen mensen, deze wezens, ze lijken erop, maar ze waren het zeer zeker niet. Hoe meer we te weten komen, hoe meer vragen er worden opgeroepen. Dit keer zal Philippe met ons meegaan, hij gaat ons bijstaan in al de andere dingen die we nog moeten meemaken. Daar gaat hij niet onderuit kunnen.
Jenny spurt weg en ik hol als een gek achter haar aan met mijn boog nog in mijn hand. Ik zou niet trager willen gaan, stel je voor dat er nog een stel van die wezens in het dorp zijn. In een mum van tijd staan we aan een gebouw, een smidse zo te zien. Dus dit is waar Philippe zijn tijd spendeert hier in Hiën. Eens kijken wat hij ervan vindt dat we de draak en deze verschrikkingen overleefd hebben.
Er zijn nog geen reacties.