Steen || Vijftien
Albus was de laatste tijd vaker bij Gellert dan andersom en hoewel Gellert dacht dat dat kwam door de ruzie die Albus met zijn broer had gehad, spraken ze er niet over. Het kon Gellert ook weinig schelen. Het waren een stel onnozele kinderen en Albus had de pech dat hij hen onder zijn hoede had, terwijl hij met heel andere dingen bezig zou moeten zijn.
Gellert keek naar Albus, die in kleermakerszit in het dorre gras zat en in gedachten verzonken leek.
Als het iets te maken zou hebben met hun zoektocht – en Gellert dacht dat dat zo was – zou hij het vanzelf vertellen en anders hoefde hij het ook niet te weten Albus’ gedachten leken wel vaker rare sprongen te maken waarvan hij maar de helft opschreef of aan Gellert vertelde en in de weken dat ze elkaar nu kenden, schonk Gellert daar weinig aandacht aan.
‘Ik denk dat we naar het noorden moeten,’ zei Albus. Zijn blik was niet meer op de grauwe steen gericht waar ze beiden tegenover zaten. Het was een sobere en verweerde grafsteen, die was versierd met één enkel symbool. Albus en Gellert kenden dit symbool door en door en Gellert had het ook niet voor niets achtergelaten op zijn oude school.
‘Hoe kom je daar bij?’ vroeg Gellert, die graag Albus redenering achter die bewering zou willen horen.
‘De broers gingen uit elkaar,’ vertelde Albus. ‘Iedereen zou zo’n staf als de Zegevlier begeren. Dat heeft niets met de stupiditeit van Antioch te maken. Ik denk alleen dat de staf alleen in handen van iemand gevallen zou kunnen zijn die het ding ook echt op waarde zou kunnen schatten.’
‘Wij.’
Albus knikte met een flauwe grijns. ‘Behalve wij, zijn er vast anderen die in de buurt komen van onze genialiteit.’ Zijn ogen glansden toen hij in die van Gellert keek en deze begreep niet alles wat in die blik verborgen lag.
‘We moeten dus naar het vaste land,’ concludeerde Gellert vlug.
Albus knikte opgewekt. ‘Natuurlijk. In Engeland is hij niet.’
Er zijn nog geen reacties.