19. I’ve got other plans today
Irenka staarde naar haar spiegelbeeld. Haar spiegelbeeld staarde met dezelfde doodse blik terug. Roodbehuilde, opgezwollen ogen, bleke wangen, mondhoeken omlaag getrokken door de tranensporen.
Een maand. Het was ongelofelijk maar waar – een maand geleden had Tokio Hotel hun zanger uit de klauwen van Irenka’s vader gered. Sindsdien had ze niets meer van hen gehoord, zelfs niet in de krant.
Ze zuchtte diep en draaide zich van de spiegel af. Waarom was het ook zo dubbel? Aan de ene kant was ze zo ontzettend blij en opgelucht dat Bill veilig was, dat hij nog leefde. Aan de andere kant miste ze hem verschrikkelijk. Misschien was het wel oerstom, maar ze beschouwde hem als een vriend. De eerste die aardig voor haard was geweest sinds ze Wanda had verloren, en dat ondanks zijn eigen erbarmelijke situatie.
Iemand legde van achteren zijn handen op haar schouders. Irenka schrok op uit haar gedachten en verstarde onmiddellijk. Ze rook sigarettengeur: Alexej. Wanneer liet hij haar nou eens met rust?
‘Ach,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Mis je het zangvogeltje? Je verspilt je tijd, schat. Hij denkt allang niet meer aan jou. Oh nee, hij is nu weer terug bij z’n familie. Waarom zou hij nog aan jou denken?’
Irenka stond met een ruk op en schudde zijn handen van zich af. ‘Laat me met rust, vuile schóft!’
‘Oh, gaan we schelden?’ Alexej greep haar bij de pols en trok haar naar zich toe. ‘Gevoelige plek?’ siste hij in haar oor, terwijl zijn ene arm zich om haar middel wikkelde. ‘Zijn we soms verliefd op de nachtegaal? Dan moet ik je toch teleurstellen, liefje, hij valt namelijk niet op meisjes...’
Irenka klemde woedend haar kaken op elkaar. Ze wilde, wilde, wilde hem niet geloven! Ze wilde geloven dat Bill wél nog aan haar dacht... Dat hij wel van haar hield? Ach du Scheiße! schold ze zichzelf uit. Vraag dan meteen ook even om een babyolifant met krokodillenpoten! Onmogelijk!
Alexejs hand kroop van haar schouder naar haar hals, omlaag... Vóór ze zichzelf kon tegenhouden, schoot Irenka’s hand naar voren. Haar nagels lieten bloederige krassen achter op zijn wang. ‘Blijf van me áf!’ snauwde ze woest. ‘Húfter!’
Alexej, woedend en ongeduldig, greep haar plotseling bij de keel. ‘Daag me niet uit, Irenka!’ gromde hij en kneep langzaam haar luchtwegen dicht. ‘Niemand, níemand, daagt míj uit! Tenminste, niet als je wilt blijven leven!’
Irenka’s voet raakte hem precies op zijn zwakke plek. Kermend van pijn schoten zijn handen naar kruis; Irenka viel daardoor hoestend op de grond, maar ze krabbelde algauw weer overeind en holde naar de deur. Zonder één keer om te kijken stormde ze de gang op.
Ze verbleven op de zoveelste verlaten boerderij; haar vader had besloten zich voor een tijdje gedeisd te houden. Het kon Irenka allemaal niets meer schelen. Tot voor kort had ze geen echte reden gehad om weg te gaan – Wanda zou ze waarschijnlijk toch nooit kunnen vinden en waar kon ze anders naartoe?
Nu had ze een doel. En niemand zou haar ervan weerhouden dat doel te bereiken, koste wat het kost.
Op het erf voor de boerderij stonden haar vader en diens broer, Irenka’s oom Jakob, bij één van de Volkswagenbusjes te praten. Irenka verborg zich achter de regenton en overzag de omgeving. Wat was de beste ontsnappingsroute?
Op dat moment kwam er en hoop kabaal vanuit de boerderij. Alexej schreeuwde moord en brand – helaas voor hem in een onverstaanbare mix van Russisch en Pools, waar niemand een touw aan vast kon knopen. Zelfs Irenka niet, die toch een aardig goed idee had over de reden van zijn woede.
Ze wierp een vlugge blik op de twee mannen bij het busje. Haar vader maakte een wegwerpgebaar en liep richting de boerderijdeur, duidelijk van plan Alexej de les te gaan lezen. Hij verdween vlak langs Irenka naar binnen.
Jakob stond nog bij het busje, maar met zijn rug naar Irenka toe. Dit was haar kans, besefte ze. Waarschijnlijk de enige die ze ooit zou krijgen.
Zo stilletjes mogelijk sloop ze achter de regenton vandaan. Even aarzelde ze nog, keek voor de laatste keer om zich heen. Toen zette ze het op een lopen.
Vanachter haar klonk onmiddellijk geschreeuw, de stem van haar oom: ‘Hé! Blijf staan! Hé!’
Irenka keek echter niet op of om. Ze peinsde er niet over om te blijven staan! Weg wilde ze, weg van hier. En nooit meer terugkomen.
Er floot een kogel over haar hoofd. Nu stopte ze wel, keek om, hijgend, zag hoe Alexej met zijn pistool in de hand achter haar aan kwam. Het leek net een slechte film, schoot er door haar hoofd, toen begon ze weer te rennen. Het boerderijtje was omringd door een rij bomen; daarachter lag een kleine weg. Als ze daar iemand kon vinden die haar naar de dichtstbijzijnde stad kon brengen, zou ze veilig zijn.
Nog een kogel, die een tak vlak boven haar hoofd versplinterde. Ditmaal bleef Irenka niet staan; daar had ze geen tijd voor, ze móést blijven rennen. Haar hart hamerde als een gek tegen haar ribben, maar ze bleef rennen.
Angst gaf haar vleugels. Ze negeerde de pijn in haar zij, negeerde haar raspende ademhaling, negeerde de takken die haar in het gezicht sloegen. Ze rende voor haar leven, op meer dan één manier.
Het einde van de bomenrij. Ze hoorde Alexejs voetstappen niet meer, misschien had hij het opgeven? Niet nadenken, blijven lopen!
Hijgend struikelde Irenka het landweggetje op. Meteen klonk er een geschrokken kreet, gevolgd door paniekerig gehinnik van een paard. Irenka keek op, sterretjes dansend voor haar ogen, en zag een boer op de bok van zijn wagen ontzet naar haar staren.
Ze greep meteen de leidsels van het paard en hijgde: ‘Alstublieft... Alstublieft, kan ik met u mee? Ik moet hier weg...’
Ze verslikte zich van paniek en begon te hoesten. De verbijsterde boer stak snel een hand naar haar uit, trok haar naast zich op de wagen en gebaarde naar het hooi dat hij vervoerde, ten teken dat ze daar mocht zitten. ‘Ik ben op weg naar Szczecin,’ zei hij voorzichtig. ‘Moet je daarheen?’
Irenka liet zich in het hooi vallen. ‘Ja, ja... Dank u wel.’ Alsof dat haar iets kon schelen! Ze moest hier weg!
Schouderophalend klakte de boer met zijn tong en het paard begon weer te draven. Zo voerden ze Irenka verder en verder weg van haar vader – precies zoals ze het wilde.
Eenmaal in Szczecin kwam Irenka erachter dat ze geen geld bij zich had. Hoe kon ze in godsnaam naar Duitsland reizen zonder geld? Dat werd liften.
Ze stond voor haar gevoel urenlang bij de snelweg, wegduikend voor passerende Volkswagenbusjes, zoekend naar Duitse nummerborden. Eindelijk, toen het al begon te schemeren, stopte er een vrachtwagen voor haar neus; eentje met een Duits nummerbord en een bruinharige chauffeur van een jaar of dertig.
‘Where to?’ riep hij haar vriendelijk toe, door zijn open raampje leunend.
‘Deutschland!’ antwoordde ze hoopvol. ‘Wohin gehen Sie?’
‘Komm rein!’ lachte hij en opende het portier. ‘Ich fahre nach Berlin.’
‘Ich hab keinen Geld, ist das schlimm?’ vroeg Irenka aarzelend. De chauffeur schudde lachend zijn hoofd en zei vriendelijk: ‘Ik help graag.’
Hoewel Irenka het niet helemaal vertrouwde, stapte ze toch maar in. Ze had weinig keus – ze moest en zou naar Duitsland!
Er zijn nog geen reacties.