‘Ze hadden dit nooit op tv mogen laten zien! Ik begrijp niet hoe dat mogelijk is! Waarom hebben ze het filmpje niet gewoon naar óns gestuurd? Dit is toch werkelijk ongehoord!’
David Jost, manager van Tokio Hotel, herhaalde al ongeveer een uur lang steeds dezelfde zinnen, ondanks het handjevol kalmeringspillen dat zijn assistente Dunja Pechner hem halverwege had laten slikken. Bij Tom hadden ze beter gewerkt; hij zag asgrauw en huilde onophoudelijk, maar er kwam geen geluid over zijn lippen.
‘Ongehoord!’ herhaalde David heftig en beende heen en weer door de kamer, graaiend door zijn haren.
‘DAVID!’ brulde Georg plotseling. Iedereen werd doodstil; David bleef zowaar staan en staarde de nog altijd wasbleke bassist met grote ogen aan.
Georg gooide in een gebaar van machteloze woede zijn armen in de lucht en brulde: ‘Onze zanger en tweelingbroer en vriend is zojuist neergeschoten, besef je dat wel?! En jij doet niets anders dan klagen over hoe we dat te weten zijn gekomen! Denk je niet dat dát van later zorg is? We weten niet eens of Bill nog leeft!’
Er kwam een vreemd hoog piepgeluid uit Toms keel. Het klonk vagelijk als een woord – het klonk als een gepijnigd “Bill!” Iedereen draaide zich geschrokken naar de gitarist, die opgerold in zijn veel te grote T-shirt op de sofa lag en nietsziend voor zich uitstaarde. Hij was volledig de weg kwijt. Wanda zat naast hem, zijn hoofd lag in haar schoot. Onophoudelijk streken haar vingers door zijn dreads.
David zag in dat hij zich druk maakte om het verkeerde, maar veel hielp dat niet. Nu ijsbeerde hij door de kamer en had nog maar één zin in zijn vocabulaire: ‘Wat nu?’
‘Dat vragen wij ons ook af,’ zuchtte Gustav en liet zich naast Toms hoofd op zijn knieën zakken. De gitarist staarde door hem heen. Gus legde voorzichtig een hand op zijn schouder. ‘Tom?’
De donkerbruine ogen focusten, maar met de nodige moeite. Gustav had nog nooit iemand zo gebroken gezien; het maakte hem bang, maar dat zou hij niet laten merken. Als Gustav bang was, panikeerde de hele wereld – de drummer was eigenlijk nog nooit echt bang geweest.
Bij gebrek aan iets beters om te doen en zeggen, sloeg hij zijn ogen neer en mompelde: ‘Gaat het?’ Hij wist ook wel dat het een domme vraag was, maar hij kon niks beters bedenken.
‘Ik wil naar Bill.’ Toms stem klonk verrassend sterk. ‘Ik wil naar Bill.’
‘Dat kan niet,’ fluisterde Wanda en slikte. ‘Dat is gevaarlijk.’
‘Ik wil naar Bill,’ herhaalde Tom koppig. Zijn ogen priemden in die van David, gloeiend van wanhoop. Je kon makkelijk de was ophangen tussen die twee paar ogen in, de lucht was haast tastbaar.
‘Tom, jongen...’ David verbrak het oogcontact als eerste, niet in staat Toms angst in het gezicht te kijken. ‘Dat lijkt me echt niet verstandig...’
Toms blik richtte zich onverbiddelijk op Dunja. Zij viel haar baas echter bij en ook Georg kon Tom niet helpen. Ze konden niets doen. Ze waren machteloos.

Twee uur later sloop Tom richting de deur van de hotelkamer. Hij had zich eerst afgezonderd van de rest, om weer tot zichzelf te komen, maar nu had hij zijn plan klaar. Hij zou zelf wel op zoek gaan naar Bill. De anderen wilden hem niet naar zijn broertje brengen; wel, dan had hij nieuws voor hen. Hij zou zelf wel gaan. Dit was het enige wat hij nog wilde.
Bill.
Hij had net de deur geopend, toen van achter hem een stem klonk. ‘En waar denk jij heen te gaan?’
Wanda stond achter hem, haar armen over elkaar geslagen en haar gezicht vertrokken in een afkeurende grimas. Tom keek haar even uitdrukkingsloos aan en gaf toen het nogal voor de hand liggende antwoord: ‘Bill.’
‘In je eentje, in Polen, terwijl je niet weet waar je zoeken moet?’
Daar moest Tom ven over nadenken. Vervolgens haalde hij zijn schouders op. ‘Ik moet het proberen.’
Wanda zuchtte. ‘Echt slim ben je niet, hè? Dat wordt je dood.’
‘Als ik maar weet hoe het met Bill is,’ wimpelde Tom dat af. Hij draaide zich weer om naar de deur, maar daar stonden plotseling Georg en Gustav.
‘Oh, sluipen we er zomaar vandoor?’ informeerde de bassist op zijn gebruikelijke droge toon. Ze probeerden stuk voor stuk wanhopig de schijn op te houden, maar vanbinnen lagen ze allemaal overhoop. De knal van het pistool galmde nog steeds na in hun oren.
‘Ga mee,’ zei Tom schouderophalend.
‘Dat was ook het idee, daarom heb ik Davids autosleutels gejat,’ meldde Gustav en hield de sleutelbos omhoog. ‘Wie rijdt?’
‘Ik.’ Georg griste de sleutels uit Gustavs hand. ‘Let’s go.’
En ze denderden met z’n vieren de trap af.

Wanda was de enige gids die ze hadden. Zij wist ongeveer waar de schuilplaats bij Poznan moest zijn en leidde hen over een wirwar van landweggetjes het Poolse platteland op.
Na een tijdje liet ze de auto stoppen. ‘Vanaf hier moeten we te voet, het is niet ver meer en als ze er echt zijn, is een auto te opvallend.’
Georg reed de Toyota de bosjes in en iedereen klom uit de wagen. Ze lieten de sleutels in het slot zitten; misschien niet erg slim, maar ze waren allemaal veel beter in het kwijtraken dan in het bewaren van sleutels en dat was op dit moment niet bepaald handig.
Wanda begon kordaat het weggetje af te lopen. ‘Daar ergens moet het zijn,’ zei ze, vooruit wijzend. De jongens keken elkaar zwijgend aan en volgden haar.
Eigenlijk wisten ze zelf ook wel dat wat ze nu deden, complete waanzin was. Alsof ze Bill zo konden redden, met z’n vieren zonder wapens tegen een onbekend aantal mannen met een nog onbekender aantal pistolen! Misschien zouden ze het zelf niet overleven.
En ze deden het toch.
Om de simpele reden dat ze niet tegen het gevoel van machteloosheid konden. Zelfs Wanda, de eeuwige optimist, kon stilletjes al haast niet meer geloven dat Bill nog leefde. Ze onderdrukte het, zoals ook de jongens het onderdrukten, omdat ze het niet wilde weten. Maar het besef was er wel – en ze hadden allevier het gevoel: als we nu niets proberen, zijn we helemaal te laat.
Dus sjokten ze zwijgend achter elkaar voort, stuk voor stuk gevangen in hun sombere gedachten. Allemaal draaiden die gedachten om dezelfde twee vragen: zou Bill nog leven? En: als dat zo was, konden ze hem dan redden?
‘Dit voelt alsof we in een slechte soap zitten,’ mompelde Gustav voor zich uit. ‘Tokio Hotel: race tegen de klok, starring Wanda.’
‘Niet grappig,’ mompelde Tom met een zucht.
‘Was ook niet zo bedoeld,’ antwoordde Gustav treurig. Het volgende moment bleven ze allevier als op commando staan. Voor hen, recht voor hen, stond een oude loods.

Reageer (1)

  • Lauke

    spannend

    snel verder
    xx

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen