De jongen sliep. Eindelijk, dacht Irenka. Zijn hersenschudding was niet zwaar, maar zijn hoofdpijn en misselijkheid hadden hem constant uit zijn slaap gehouden. Nadat hij had overgegeven was het wel beter gegaan; nu was hij dan eindelijk in slaap gevallen.
Irenka waste haar handen bij de wastafel in de hoek – die ze net kotsvrij had gemaakt – en liet haar gedachten de vrije loop. Wie zou die vreemde jongen zijn? Ze had nog nooit een jongen gezien met make-upvlekken op zijn gezicht. Dat gezicht kwam haar trouwens enigszins bekend voor, maar ze kon hem niet plaatsen. Als hij wakker was, zou ze ’t wel vragen.
Met een laatste blik op de nu vredig slapende jongen sloop Irenka het kamertje uit. Ze had honger, ze wilde iets eten. Misschien hadden de mannen wel wat.
Op weg naar de grote keuken van de boerderij (Irenka wist hier feilloos de weg, ze was er vaker geweest) kwam ze Alexej tegen. De blonde Rus stond te roken en keek grijzend op toen hij Irenka’s voetstappen hoorde.
‘Zo, hoe is het met ons verdwaalde schaap?’ vroeg hij opgewekt.
Irenka wist dat hij op de jongen doelde en antwoordde kortaf: ‘Hij slaapt.’
‘Dat is een goed teken,’ knikte Alexej, alsof hij zich oprecht zorgen maakte om de gezondheid van de jongen die hij een hersenschudding had bezorgd.
Ook Irenka wist maar al te goed dat Alexejs woorden vals waren; jammer genoeg kende ze hem langer dan vandaag. ‘Ach, houd je mond!’ snauwde ze dus. ‘Alsof het jou iets kan schelen!’
Alexej keek zeer onschuldig. ‘Natuurlijk kan het me iets schelen! Het was helemaal niet mijn bedoeling om hem zo’n ongemak te bezorgen, lieve Irenka. Maar het doet me deugd om te zien dat hij zo goed door je verzorgd wordt, schatje.’
‘Ik ben je schatje niet!’ beet ze hem nijdig toe. ‘Ik moet je niet, Alexej, nu niet en nooit niet! Dus houd je kop, laat me met rust en rook jezelf dood, oké!’
Met die woorden zwierde ze langs hem heen naar de keuken. Alexej nam grijnzend nog een trekje van zijn sigaret. Hij hield wel van een beetje brutaliteit in een vrouw. En hij was er helemaal van overtuigd dat hij Irenka ooit zou krijgen. Tenslotte was hij Alexej Androvich, en Alexej Androvich kreeg altijd wat hij wilde.

’s Ochtends nam Irenka haar ontbijt mee naar het kamertje van de jongen met de hersenschudding. Alexej was in de keuken, dus daar bleef ze geen minuut langer dan strikt noodzakelijk.
De jongen sliep nog toen Irenka binnenkwam. Hij lag opgekruld onder de dekens, met zijn warrige zwarte haren voor zijn gezicht en één hand bungelend over de rand van het bed. Tot haar verrassing ontdekte Irenka dat zijn nagels gelakt waren, zwart met een wit randje. Dit was wel de vreemdste jongen die ze ooit gezien had – maar hij was wel echt een jongen.
Irenka ging op het houten krukje naast de wastafel zitten en roerde afwezig met haar lepel door de rijstepap die ze als ontbijt had gemaakt. Haar ogen waren op de jongen gericht, die rustig sliep.
Of nou ja, rustig? Na een tijdje begon hij te woelen, de deken gleed een stukje van hem af en onthulde de tatoeage op de – voor hem – linkerhelft van zijn borst. Wir hören nie, kon Irenka lezen. De rest ging schuil achter zijn arm, waar ook een tatoeage op was getekend: Freiheit 89.
Net toen Irenka zich afvroeg hoeveel tatoeages hij zou hebben, schoot de jongen overeind en gilde: ‘TOM!’
Irenka stond vlug op, zette haar kom opzij en liep op de jongen af. Hij staarde haar verwilderd aan, totdat hij haar herkende en zijn gezicht ontspande. Irenka zag zowel opluchting als teleurstelling in zijn ogen en vroeg zich af wat voor droom hij had gehad.
Ze ging op de rand van zijn bed zitten. Hij bleef haar even aanstaren, sloeg toen zijn ogen neer en dook ineen. Irenka legde een hand op zijn schouder. De jongen gluurde naar haar vanonder zijn wimpers. Droevige ogen, mooie bruine ogen die glansden van ingehouden tranen.
‘Hé,’ zei ze zachtjes. ‘Gaat het?’
De jongen trok zijn smalle schouders op. ‘Mwoah,’ mompelde hij. ‘Gaat.’
Irenka keek hem even medelijdend aan, wilde iets tactvols zeggen maar flapte er in plaats daarvan uit: ‘Wie is Tom?’
De jongen maakte een ongecontroleerde beweging en Irenka had meteen spijt van haar vraag, zeker toen hij zijn tranen niet kon bedwingen en zachtjes snikte: ‘Mijn broer... Mijn tweelingbroer...’
Irenka’s lippen vormden een geluidloze “Oh”. Even stille tranen gleden langs de wangen van de jongen omlaag. Hij zat ineengedoken op het bed, zijn ogen op oneindig, en elke traan schreef de naam van zijn tweelingbroer op zijn wang.
Bij gebrek aan iets beters om hem te troosten legde Irenka een arm om zijn schouders. De jongen trilde helemaal, zijn magere lijf schokte van het huilen. Irenka trok hem tegen zich aan en hij huilde uit op haar schouder. Af en toe kon ze hem iets horen fluisteren, ze verstond niet wat maar ze vermoedde dat het de naam van zijn tweelingbroer was.
Pas na een hele tijd duwde hij haar van zich af en veegde langs zijn kletsnatte wangen. Toen mompelde hij ietwat gegeneerd: ‘Het gaat wel weer.’
Irenka knikte rustig. ‘Hoe voel je je?’
‘Alsof ik door een drukpers ben gehaald,’ gaf hij toe. ‘En ik ben misselijk.’
‘Dat hoort bij een hersenschudding,’ zei Irenka nuchter. ‘Wil je iets eten of moet je overgeven?’
Dat klonk zo droog dat de jongen zelfs even moest lachen. ‘Ik denk dat ik wel wat kan eten. Mijn maag voelt vreselijk leeg.’
Irenka glimlachte nu ook. ‘Da’s een goed teken. Wacht maar, dan haal ik een kom voor je.’

Ongeveer twee uur later kotste hij zijn ontbijt weer uit, maar dat had Irenka verwacht. Ze vond het al heel wat dat hij überhaupt wat had gegeten en verzekerde hem dat hij vooruitging.
‘Daar merk ik anders niet veel van,’ mompelde hij, nadat hij een glas water had gedronken om de smaak van overgeefsel weg te spoelen.
Irenka haalde haar schouders op. ‘Even doorbijten, dan komt het wel goed.’ Ze aarzelde even, vroeg toen: ‘Zeg, hoe heet je eigenlijk?’
De jongen keek haar een beetje verbaasd aan, zag dat ze serieus was en antwoordde: ‘Bill. Bill Kaulitz.’
Die naam zei haar vagelijk iets, maar ze kon niet bedenken wat. Blijkbaar zag hij dat, want hij glimlachte even en vroeg: ‘Zegt de naam Tokio Hotel je iets?’
Het kwartje viel, Irenka sperde haar ogen wijdopen. ‘Oh God, ja, dáár ken ik je van! Jij bent die zanger!’
‘Klopt. En jij heet Irenka, toch?’ Hij sprak het uit alsof er een hoop meer h’s in zaten dan werkelijk zo was, maar dat hoorde bij zijn Duitse wortels. Ihrhehnkhah. Het klonk best schattig, dacht ze.
‘Ja, ik heet Irenka,’ zei ze hardop. ‘Hoe voel je je nu?’
‘Geradbraakt, maar beter.’ Bill glimlachte weer even, ging verzitten op het bed. Hij liet zijn hoofd tegen de wand rusten en vroeg: ‘Waar zijn we hier eigenlijk?’
Irenka trok haar schouders op. ‘In Polen ergens. Ik weet het niet.’
Eigenlijk was dat een leugen; ze wist het wél. Maar dat hoefde Bill niet te weten.

Reageer (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen