5. It’s killing me
Een blonde vrouw van midden veertig holde het bordes van een Pools hotel op. Ze ging haastig door de draaideuren naar binnen en zag onmiddellijk het groepje waar ze voor gekomen was: een jongen met kort blond haar, een jongen met schouderlang roodbruin haar en een jongen met lange donkerblonde dreadlocks.
De laatste keek op toen hij de haastige voetstappen hoorde. Hij sprong onmiddellijk overeind: ‘Mama!’
Nu zagen ook de andere twee de blonde vrouw op hen af komen. Ze liep vlug naar de jongen met de dreadlocks, die zo te zien stond te trillen op zijn benen. Ze sloeg zwijgend haar armen om hem heen en hij verborg heel even zijn gezicht in haar hals.
Toen hij haar losliet, veegde ze door haar vochtige haren (het regende buiten) en vroeg: ‘Is er nieuws?’
De jongen schudde zijn hoofd. ‘We weten alleen dat hij gisteravond niet is teruggekomen. Of hij nog in Warschau is, kunnen we alleen maar raden.’
Zijn moeder slaakte een diepe zucht en graaide nogmaals door haar haren. ‘Wat doen we nu?’
‘Politie is onderweg,’ antwoordde de jongen met hese stem. Er glinsterden tranen in zijn donkerbruine ogen. ‘Ze zouden er nu ongeveer moeten zijn.’
Alsof de politie hem gehoord had, kwamen er drie agenten door de draaideuren. Twee mannen en één vrouw, alledrie in uniform, en ze liepen onmiddellijk op de jongen en zijn moeder af. De andere twee jongens voegden zich nu bij hen.
‘Meneer Kaulitz?’ vroeg de voorste agent. De jongen met de dreadlocks knikte. ‘Ik ben commissaris Gomolka, dit zijn Pawel en Dominika,’ vervolgde de man in het Engels. ‘Ik heb begrepen dat er iemand vermist is?’
“Meneer Kaulitz” knikte weer. ‘Laten we ergens gaan zitten,’ mompelde hij. ‘Dat praat makkelijker.’
Het groepje verplaatste zich naar het kantoor van de hotelmanager, die buigend als een knipmes “de heren Tokio Hotel” binnenliet en vervolgens zelf verdween. Politie, band en moeder namen plaats.
‘Wel,’ begon de commissaris. ‘Wat kunt u mij allemaal vertellen?’
Tom Kaulitz antwoordde waarheidsgetrouw met “niet veel”. Vervolgens legde hij uit dat zijn broertje Bill de avond daarvoor na een ruzie uit het hotel was weggelopen en niet meer teruggekomen.
‘Al zijn spullen zijn nog hier, z’n jas en mobiel en paspoort. Ook zijn portemonnee zit nog gewoon in zijn tas.’
‘Dus hij was duidelijk van plan terug te komen,’ concludeerde de commissaris. ‘Heeft u een vermoeden waar hij kan zijn?’
‘Geen enkel.’ Tom aarzelde even en voegde er toen zachtjes bij: ‘We weten niet eens of hij nog leeft.’
Na die woorden was het even stil. Toen zei de commissaris opgewekt: ‘Kom, kom, we moeten niet meteen van het ergste uitgaan! We vinden uw broer wel, meneer Kaulitz.’
‘Laten we het hopen,’ mompelde Tom somber. De commissaris klopte hem geruststellend op de arm, beloofde dat ze onmiddellijk op zoek zouden gaan en vertrok weer, met Pawel en Dominika in zijn kielzog.
Zodra ze weg waren, leunde Tom achterover in zijn stoel. ‘Ik denk niet dat dat veel zin had. We moeten zélf inlichtingen winnen.’
Blijkbaar was het in Polen Nationale Lees-de-gedachten-van-Tom-Kaulitz-dag, want op hetzelfde moment kwam de hotelmanager weer binnen en zei schuchter, in gebroken Engels: ‘Meneer... Er is iemand om u te zien, meneer. Ze zegt, ze heeft meneer Bill gezien, meneer.’
Tom veerde onmiddellijk overeind. ‘Laat haar binnen!’
Buigend vertrok de manager weer naar buiten. Even later stapte er een meisje over de drempel, een meisje met wilde goudbruine krullen die tot vlak over haar schouder vielen. Ze had felle donkerbruine ogen, waarmee ze zonder aarzelen in die van Tom blikte.
‘Mijn naam is Wanda, ik heb jullie iets belangrijks te vertellen,’ deelde ze de jongens zonder omhaal mede – in het Duits nog wel.
Ze keek de jongens en de vrouw één voor één afwachtend aan, bleef uiteindelijk Tom aanstaren tot hij kuchte en ongemakkelijk mompelde: ‘Ga zitten en vertel.’
Wanda nam plaats op de stoel tegenover hem en schudde haar krullen uit. Toen zei ze simpelweg: ‘Ik heb Bill gezien. Gisteravond, tegen elven denk ik. Hij rende langs me, ik geloof dat hij me niet zag.’
‘Waar was dat?’ Tom leunde gretig voorover, maar Wanda haalde haar schouders op.
‘Ergens hier in Warschau, ik weet niet precies waar. Maar dat was niet wat ik jullie te vertellen had. Ik liep verder, niet dezelfde kant op als jullie zanger, maar na een tijdje hoorde ik opeens stemmen. Tenminste, één stem, die in het Engels vroeg: “Hoe ver is het eigenlijk?” Vervolgens hoorde ik een klap, iemand die viel denk ik, en iemand die lachte. Ik schrok er een beetje van en sloop erheen om te kijken wat er was gebeurd. Wat ik dus zag, was Bill die werd meegenomen door iemand, naar een huis in die straat. Ze gingen daar naar binnen en toen ben ik maar weggegaan.’
Even was het stil. Wanda keek de jongens weer afwachtend aan; Tom woog haar woorden zorgvuldig vóór hij antwoordde: ‘Weet je waar het was dat ze naar binnen gingen?’
Wanda leek even te aarzelen, maar schudde toen haar hoofd. ‘Ergens hier in Warschau,’ herhaalde ze hulpeloos.
Tom slaakte een diepe zucht en sprong plotseling op. ‘Ik haat dit!’ riep hij gefrustreerd. ‘Godverdomme, waarom moest dat joch dan ook zo nodig weglopen? Met z’n nul komma nihil richtingsgevoel, stomme sukkel die hij is! KIJK NIET ZO!’ gilde hij, compleet over zijn toeren, tegen Georg, die geschrokken zijn stoel wat naar achteren schoof. ‘Godverdomme, nou ben ik hem kwijt!’
En Tom barstte, totaal onverwacht, in huilen uit.
Simone, Toms moeder, was de eerste die reageerde. Ze trok haar zoon naar zich toe en sloeg haar armen stevig om hem heen. Hij snikte heftig, zijn schouders schokten onder de veel te grote kleren. Georg, Gustav en Wanda staarden met grote ogen naar de anders zo relaxte jongen. Van zijn gelijkmatige humeur was niets meer over, hij sprong van de ene extreme emotie naar de andere zonder stil te houden bij het midden.
Toen hoorden ze hem zachtjes fluisteren: ‘It’s killing me...’
Dat was een zinnetje uit één van hun nummers en niemand stond ervan te kijken dat Tom het nu gebruikte. Bill en hij waren niet zomaar broers, ze waren een tweeling, en ze konden niet zonder elkaar.
Op dat moment nam Wanda een besluit. Ze stond op en zei: ‘Ik kan jullie wel naar het huis brengen waar ik ’m heb gezien. De straatnaam herinner ik me niet meer, maar ik denk dat ik het nog wel kan vinden.’
Tom keek onmiddellijk op, tranen nog glinsterend in zijn ogen. ‘Denk je dat of wéét je dat?’
‘Ik gok erop,’ antwoordde Wanda en stak een hand naar hem uit. ‘Waar gok jij op? De politie? Of vertrouw je mij?’
Tom keek haar even onderzoekend aan. Toen greep hij haar hand.
Er zijn nog geen reacties.