Met een diepe zucht ging Bill overeind zitten. Zijn hoofd tolde. Had hij teveel gedronken of zo? Hij kon het zich niet meer herinneren. Nou ja, een aspirientje zou het wel weer in orde maken, dacht hij bij zichzelf.
Op dat moment besefte hij dat hij niet meer in het hotel was.
Verbaasd knipperde Bill met zijn ogen. Hij bevond zich in een klein, kaal kamertje zonder ramen. Er was één deur, tegenover hem, en een stoel tegen de wand daarnaast. Dan was er nog het bed waar hij op zat en verder niets. Alleen grijze muren.
Hoe kwam hij in godsnaam hier terecht? Waar was dit überhaupt? Hij pijnigde zijn hersens, probeerde zich te herinneren wat er de vorige avond was gebeurd en besefte dat hij niet wist of het wel “de vorige avond” was. Er waren geen ramen, misschien had hij maar een uur geslapen en was het nog nacht.
Paniek greep hem bij de keel. Zijn geheugen herkende dat gevoel en de bijbehorende herinneringen vlogen door zijn hoofd.
Warschau. Verdwaald. Fangirls. Vluchten. Rennen. Botsen. Alexej. Volgen. Volgen. Volgen. Donker. Pijn. Vallen. Zwart.
Alexej! Alexej had hem geslagen, nu wist hij het weer. Hij had gevraagd hoe ver het nog was en toen had de Rus hem geslagen. Hij was in de goot gevallen en vervolgens out gegaan. Dat verklaarde zijn koppijn.
Maar waarom? Waarom had Alexej dat gedaan? En waar had de Rus hem heengebracht? Of had hij hem laten liggen, hadden andere mensen hem gevonden? Waarom leek dit dan verdacht veel op een cel?
Teveel vragen, het deed pijn aan zijn hoofd. Bill haalde een hand door zijn haren en voelde tot zijn schrik iets kleverigs op zijn rechterslaap. Met stijgende onrust in zijn buik trok hij zijn hand terug. Er kleefde bloed aan zijn vingers, helderrood bloed. Zijn maag draaide om, hij voelde zich misselijk worden. Met zijn ogen tot spleetjes geknepen veegde hij zijn vingers af aan de vaalgele deken.
Op hetzelfde moment hoorde Bill een sleutel in het slot. Gemorrel aan de deur, iets onverstaanbaars dat klonk als een vloek en vervolgens vloog de deur van het kamertje open. Hoopvol keek Bill op; hij wist niet wat hij kon verwachten, vermoedde dat het de Rus was, maar hoopte dat iemand was gekomen om hem hier uit te halen.
Wie het ook was, Alexej leek het niet te zijn. Tenzij hij opeens tien centimeter was gekrompen, twintig kilo was aangekomen en zijn haren zwart had geverfd. Oh, en hij moest ook nog ruim twintig jaar ouder zijn geworden. Conclusie: Alexej was het niet. Maar wie dan wel?
Op de drempel stond een man van over de veertig, met woest zwart haar (anders woest dan dat van Bill, meer alsof hij zich vijf weken niet gewassen had) en een baard, alsof hij zich vijf weken niet geschoren had. Zijn kleding bestond uit een gevlekte ribfluwelen broek en een grijze sweater, die eruit zag alsof hij hem had opgegraven van het kerkhof.
‘Ah!’ baste hij, zodra hij Bill rechtop zag zitten. ‘Je bent wakker!’
Hij sprak Duits, tot Bills verrassing, met een zwaar accent. Was dit ook een Rus? Bill wist het niet, hij was niet zo’n ster in het onderscheiden van accenten.
‘Kom mee!’ beval de man bars en gebaarde naar de deur. ‘Snel!’
Aarzelend duwde Bill zichzelf omhoog. Hij wankelde; zijn hoofd duizelde en heel even zag hij dubbel. Toen grepen de mannen – greep de man – hem bij zijn bovenarm; hij kwam ongeveer tot Bills kin, maar sleurde hem zonder moeite mee naar de deur.
Ze kwamen in een gang, even kaal en grijs als het kamertje dat ze net verlaten hadden. Aan weerszijden van de gang kon Bill deuren onderscheiden, drie aan de ene kant en twee aan de andere. Van mensen ontbrak elk spoor.
De man gaf een rukje aan Bills arm. De jongen hield een kreet van pijn nog maar net binnen; in plaats daarvan beet hij zo hard op zijn lippen dat hij bloed proefde. Die roestachtige smaak herinnerde hem aan het bloed op zijn voorhoofd en opnieuw kreeg hij de neiging over te geven, hoewel hij het kokhalzen kon onderdrukken.
‘Schiet op!’ baste de man met het zwarte haar op dat moment en gaf nog een ruk aan Bills arm. De jongen ontspande zijn spieren, hoewel met tegenzin, en liet zich meevoeren.
De gang door, een deur door, een trapje af, een drempel over, en plotseling stonden ze buiten. De zon scheen fel in Bills ogen; het was dus dag. Ze bevonden zich op een soort binnenplaatsje tussen de huizen, met aan één kant een poort naar de straat. Op de binnenplaats stonden twee grijze Volkswagenbusjes, onopvallend, met Poolse nummerborden. Nog altijd was er geen mens te zien.
Bill begon zich net ernstig af te vragen wat er allemaal gebeurde – zijn hoofd werd langzaam weer helder – toen van één van de busjes plotseling een deur openvloog. De bestuurder sprong op de grond. Bill herkende hem meteen: Alexej.
Met een brede, maar valse grijns kwam de Rus op hen af. ‘There we have our little wanderer!’ riep hij en sloeg Bill op de schouder. De zanger kromp ineen, maar zei niets. Nog altijd met zijn brede grijns richtte Alexej zich tot de zwartharige man en zei iets in het Pools. De man antwoordde, Alexej knikte en Bill viel flauw.

Hij werd wakker door een hobbel in de weg. Blijkbaar hadden ze hem zonder pardon in één van de busjes gegooid, want hij herkende zijn omgeving als zijnde het kale interieur van een Volkswagenbusje.
Bill was echter niet alleen. Hij lag in het midden van het busje, opgekruld zoals hij meestal sliep, en overal om hem heen zag hij gezichten van mensen die naar hem staarden.
Mannen, vrouwen, kinderen: het waren er een stuk of vijftien en allemaal óf veel ouder, óf veel jonger dan Bill. Ze zaten heel dicht op elkaar, anders paste het niet. De meesten droegen vuile kleren en hadden magere gezichten. Een paar van de kinderen waren nog heel jong, vijf of zes.
Verbijsterd richtte Bill zich op en keek om zich heen. Waar was hij in vredesnaam beland? Het stonk hier, naar zweet en urine en aangebrand eten. Zijn hoofd duizelde weer, de wanden leken op hem af te komen. Hij greep naar zijn hoofd en voelde opnieuw aangekoekt bloed. Niet overgeven, niet overgeven...
Eén van de vrouwen vroeg hem iets, helaas in een taal die hij niet verstond. Pools, waarschijnlijk. Hij staarde haar verwilderd aan, duizelig en misselijk. Zo ellendig als nu had hij zich nog nooit gevoeld.
Eén van de oudere mannen tikte hem op de schouder en zei in gebroken Engels: ‘She says you ill with black spots.’
Hij streek even over Bills gezicht om aan te geven waar de vlekken zaten.
‘Not ill,’ wist Bill over zijn lippen te persen. ‘Make-up.’
De man keek hem vragend aan, maar Bill zag het al niet meer. Hij was opnieuw flauwgevallen.

Voor Fabiënne.

Reageer (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen