1. No one knows how you feel
De zon daalde boven Warschau. Haar laatste stralen streken liefkozend over de daken en de geplaveide pleintjes, als een moeder die haar kind vaarwel kust. Of liever gezegd, goedenacht. Goedenacht, want de maan dook op aan de donkere hemel.
In een enorm hotel, midden in het centrum van de stad, nam een negentien jaar oude jongen afscheid van de zon. Hij leunde met zijn ellebogen op de vensterbank en keek met half gesloten ogen toe hoe de gloeiende bol achter de huizen zakte.
Beneden hem, op het plein voor het hotel, stond een groepje tienermeisjes met spandoeken. Hij kon de woorden niet lezen, maar wist wel ongeveer wat er stond. Ze waren fans, fans van hem en zijn drie beste vrienden – waaronder ook zijn tweelingbroer. Fans van hun band: Tokio Hotel.
De jongen zuchtte en liet zijn hoofd op zijn handen zakken. Zachtjes woei de wind door zijn zwarte haar, dat langs zijn gezicht tot over zijn schouders viel. Het stond niet, zoals gewoonlijk, recht overeind, maar hing omlaag en stond slechts lichtjes bol door de wax.
Normaal gesproken was hij de vrolijkheid in eigen persoon, sprong hij rond als een konijn met stekels onder z’n kont en had hij constant de slappe lach. Vandaag was hij moe, teruggetrokken en snel geïrriteerd. Helemaal niet zijn normale doen.
Het was ook het einde van de tour; nog twee concerten en dan zat het er weer op. Hoewel de jongen het heerlijk vond om te touren en op te treden, begon hij er nu een beetje genoeg van te krijgen. Hij wilde van de nooit aflatende druk af, van de krappe tourbus en de hotelkamers, waar je nooit lang genoeg bleef om je echt thuis te voelen.
Iemand bonkte op de deur en onderbrak zo zijn gedachten. ‘Bill! Ga je mee eten?’
‘Eten?’ Fronsend deed Bill het raam dicht en liep naar de deur, ook al wist hij wie er stond. Georg, de bassist met het schouderlange roodbruine haar, die altijd honger had.
‘Serieus, Hobbit, we hébben al gegeten.’
Hobbit was Georgs bijnaam, maar hoe ze daar aan kwamen wist niemand meer.
‘Nou en,’ antwoordde de bassist. ‘Ik heb honger. En voor deze keer is Gustav het met me eens.’
Bill slaakte een zucht. Gustav, de blonde drummer, was ook al zo’n vreetzak. ‘Nou, ik niet,’ beantwoordde hij Georgs ongeduldige gezicht. ‘Gaan jullie maar. Waar is Tom?’
Georg haalde zijn schouders op, murmelde iets vaags en vertrok naar beneden, nadat hij nog even met zijn knokkels op Gustavs deur had geroffeld. Twee seconden later sprintte de drummer achter hem aan, iets schreeuwend over pizza.
Bill zuchtte en deed zijn kamerdeur weer dicht. En dan noemden ze hém af en toe een kleuter. Hij mocht dan bijna drie jaar jonger zijn dan Georg, op dit moment gedroeg hij zich toch écht een stuk volwassener dan de groenogige bassist.
Hij ging weer voor het raam zitten, op de brede vensterbank, en trok zijn knieën op. Met zijn armen om zijn benen geslagen en zijn voorhoofd tegen het koude glas staarde hij naar buiten. De straatlantaarns verspreidden een warm oranje licht; hij zag dat de meisjes waren verdwenen en wist dat ze de hoop om één van hen tegen te komen, hadden opgegeven.
Zijn regelmatige ademhaling vormde wolkjes op het raam en maakte zijn zicht mistig. Het plein werd wazig, het oranje licht een vage vlek. Slechts de sterren schenen nog als heldere speldenprikjes aan de hemel.
Opnieuw klopte er iemand op de deur. ‘Bill?’
Ditmaal was het Tom, de gitarist van de band en tevens Bills tweelingbroer. Op het eerste gezicht leken ze helemaal niet op elkaar; Tom had zijn natuurlijke donkerblonde haarkleur behouden en droeg zijn haar in lange dreadlocks onder een pet. Bill daarentegen had zijn haren zwartgeverfd en omrandde elke dag zijn hazelnootkleurige ogen met dikke make-up.
Ze waren en bleven, ondanks die verschillen, een tweeling en vertrouwden elkaar alles toe. Bill was meestal opener en spontaner, vertelde een hoop aan iedereen, maar zijn diepste geheimen bewaarde hij voor zijn broer. Tom was bedachtzamer, hield zijn gedachten voor zich en liet Bill meestal raden naar wat hem dwarszat.
‘Hé,’ zei Tom en liep naar zijn tien minuten jongere broertje toe. ‘Wat is er met jou?’
‘Niks. Ik ben gewoon moe.’ Bill veegde over de beslagen ruit en verhelderde zo zijn uitzicht. ‘Eigenlijk wil ik gewoon naar huis.’
‘Ik ook,’ gaf Tom toe en plofte op het voeteneinde van Bills bed. ‘Mam belde net. Ze heeft wilde plannen voor onze vakantie.’
‘Oh nee hè!’ zuchtte Bill. ‘Waar wil ze nu heen? Toch niet weer Kameroen?’
De gitarist grinnikte. ‘Nee, volgens mij wil ze naar Spanje. Ik heb gezegd dat we pas weer aan reizen gaan denken als we een fatsoenlijke vierentwintig uur geslapen hebben. Volgens mij hoorde ze me niet.’
‘Dat mens is Oost-Indisch doof,’ mompelde zijn broer.
‘Ze bedoelt het goed,’ meende Tom. ‘We zullen het nog wel zeggen als we weer thuis zijn.’
Bill gaf geen antwoord. Hij staarde uit het raam en voelde zijn gedachten wegdrijven. Zijn ogen stonden glazig, hij keek wel maar zag niets. Op de achtergrond hoorde hij Tom praten, maar hij kon zich niet concentreren op de stem van zijn broer. Hij was zo moe...
‘Bill!’
Geschrokken keek de aangesprokene op, dwong zichzelf te focussen. Tom keek hem geërgerd aan. ‘Luister je wel?’
‘Ja, ja... Sorry, wat zei je?’ Bill ontweek zijn broers blik, maar hield zichzelf gefocust door zijn nagels in zijn handpalmen te duwen.
‘Ik zei dat je maar beter kan gaan slapen,’ herhaalde Tom zuchtend. ‘Als je zo moe bent dat je niet meer oplet, lijkt me dat praktisch. Vooral ook omdat we morgen moeten spelen.’
‘Ja,’ mompelde Bill, die zijn gedachten alweer voelde afdrijven. ‘Ja, is goed...’
Tom stond op en liep naar zijn broertje toe. ‘Wat is er toch met jou? Zelfs als je moe bent, kan je nog wel opletten! Je doet nooit zo.’
Gepikeerd haalde Bill zijn schouders op. Hij wilde eigenlijk gewoon met rust worden gelaten, maar vond het ook weer zo stom om dat tegen Tom te zeggen. Die wilde ook alleen maar helpen.
Zijn schouders ophalen bleek ook niet zo’n goed idee: Tom ontplofte. ‘Hè verdomme, doe niet alsof het je niets aangaat! Ik maak me écht zorgen om je, hoor! Je bent nog nooit zo moe geweest! Zeg Gottverdammt nou gewoon wat er is!’
‘Niets!’ antwoordde Bill, die lichtjes zijn stem verhief. ‘Ik zei het je al, ik ben gewoon moe! Ik zit er helemaal doorheen, ik ben het touren zó beu!’
‘Zeg dat dan, sukkel! Je gedraagt je alsof je zwaar depressief bent! Hoe kan ik je nou helpen als jij niet zegt wat je scheelt? Je bent mijn tweelingbroer, maar ik kan je gedachten niet lezen!’
‘Ik hoef geen hulp!’ snauwde Bill plotseling. ‘Ik wil gewoon rust, ik wil naar huis, ik heb er genoeg van!’
En met die woorden sprong hij op en stormde de kamer uit. De deur viel met een harde klap achter hem dicht. Even bleef Tom verbijsterd bij het raam staan. Toen holde hij achter zijn broer aan, binnensmonds vloekend: ‘Arschloch!’
En ja, hij doelde op zijn broer.
Er zijn nog geen reacties.