Is there time enough for peace?

Een zucht ontsnapt mijn mond. Dit ontgaat Jasper niet. Hij komt half omhoog en steunt met zijn hoofd op zijn rechterhand. Hij kijkt me aan. Ik kijk hem aan.
“Dat had ik dus gehoord. Ben ik zo’n slecht gezelschap?”, zegt hij. Maar mijn zucht was helemaal niet op hem gebaseerd. Volgens mij heb ik hem de impressie gegeven dat hij saai is. Dat was helemaal mijn bedoeling niet!
“Oh nee! Sorry als ik je dat gevoel gaf. Ik was gewoon aan het denken.” Ik richt mijn ogen terug naar boven, naar de hemel.
“Dat wist ik wel. Ik ben de beste gezelschap dat er maar bestaat.”, grinnikt hij. Bij mij kan er ook een glimlach van af terwijl ik mijn hoofd weer naar hem draai.
“Mis jij iemand?”, ik draai mijn hoofd weer naar boven en mijn gezicht verliest de glimlach die ik net nog had. Jasper gaat terug op zijn rug liggen en wacht nog even met te antwoorden.
“Stiekem mis ik mijn familie. Normaal zou ik het niet toegeven, maar ik mis nu echt de knuffels van mijn mama die ik vroeger toen ik klein was. Maar mijn vrienden mis ik totaal niet. In die tijd dat ik hier al ben, ben ik tot de conclusie gekomen dat ze eigenlijk mijn vrienden niet waren.”, hij vertelt dit met een droevige stem. Hij heeft echt nagedacht over zijn leven.
“Jij mist waarschijnlijk die vriend van je?”, vraagt hij me na een lange poos wachten.
“Ja. Enorm.”, het is moeilijk voor me om niet in huilen uit te barsten, maar het lukt me. Een tijd lang kijken we terug naar de hemel zonder iets te zeggen.
“Wat zou je willen doen als je terug ‘in jouw lichaam’ zit?”, vraag ik dan.
“Ik wil denk ik niet terug. Ik denk dat iedereen beter af is zonder mij.”
“Omdat je vroeger zo was, wil het niet zeggen dat je het nu ook bent. Ik zie in jou geen slechte jongen.”, reageer ik meteen.
“Ik wil er gewoon niet over praten.” Een stilte volgt.
“Ik kan niet wachten om Joris weer te kunnen omhelzen. Ik mis hem. “ Weer een pauze.
Nog een tijdje is het stil. Niemand zegt nog iets. Ik ga rechtzitten. Ik zie enkele mensen wandelen, vooral oudere mensen. Het is wel leuk om ze zo te zien zonder dat zij mij zien. Jasper ziet dat ik recht zit en komt ook recht zitten. Samen kijken we recht vooruit.
Ik voel me plots ziek, misselijk, hoofdpijn. Ik weet niet wat ik heb. Ik adem een beetje sneller dan normaal. Ik leun wat meer naar voren. Het lijkt alsof ik moet overgeven, maar niet kan. Alles in mijn zicht begint te trillen. Vaag hoor ik Jasper vragen of het gaat.
“Nee.”, komt er gebroken uit mijn mond. Plots zit hij vlak voor me. Zijn gezicht vlak voor de mijne. Ik leg mijn voorhoofd tegen de zijne. Mijn ademhaling gaat sneller. Wat gebeurt er nu. Ik voel Jaspers hand door mijn haren gaan. Af en toe wordt het zwart voor mijn ogen. Ik hoor Jasper zijn woorden niet meer. Ik hoor alleen mijn ademhaling in slow motion. Nu wordt mijn beeld echt zwart. Ik hoor niets meer. Ik val in een diepe put. En dan, niets meer. Zwart. Volledig zwart.
“Dat had ik dus gehoord. Ben ik zo’n slecht gezelschap?”, zegt hij. Maar mijn zucht was helemaal niet op hem gebaseerd. Volgens mij heb ik hem de impressie gegeven dat hij saai is. Dat was helemaal mijn bedoeling niet!
“Oh nee! Sorry als ik je dat gevoel gaf. Ik was gewoon aan het denken.” Ik richt mijn ogen terug naar boven, naar de hemel.
“Dat wist ik wel. Ik ben de beste gezelschap dat er maar bestaat.”, grinnikt hij. Bij mij kan er ook een glimlach van af terwijl ik mijn hoofd weer naar hem draai.
“Mis jij iemand?”, ik draai mijn hoofd weer naar boven en mijn gezicht verliest de glimlach die ik net nog had. Jasper gaat terug op zijn rug liggen en wacht nog even met te antwoorden.
“Stiekem mis ik mijn familie. Normaal zou ik het niet toegeven, maar ik mis nu echt de knuffels van mijn mama die ik vroeger toen ik klein was. Maar mijn vrienden mis ik totaal niet. In die tijd dat ik hier al ben, ben ik tot de conclusie gekomen dat ze eigenlijk mijn vrienden niet waren.”, hij vertelt dit met een droevige stem. Hij heeft echt nagedacht over zijn leven.
“Jij mist waarschijnlijk die vriend van je?”, vraagt hij me na een lange poos wachten.
“Ja. Enorm.”, het is moeilijk voor me om niet in huilen uit te barsten, maar het lukt me. Een tijd lang kijken we terug naar de hemel zonder iets te zeggen.
“Wat zou je willen doen als je terug ‘in jouw lichaam’ zit?”, vraag ik dan.
“Ik wil denk ik niet terug. Ik denk dat iedereen beter af is zonder mij.”
“Omdat je vroeger zo was, wil het niet zeggen dat je het nu ook bent. Ik zie in jou geen slechte jongen.”, reageer ik meteen.
“Ik wil er gewoon niet over praten.” Een stilte volgt.
“Ik kan niet wachten om Joris weer te kunnen omhelzen. Ik mis hem. “ Weer een pauze.
Nog een tijdje is het stil. Niemand zegt nog iets. Ik ga rechtzitten. Ik zie enkele mensen wandelen, vooral oudere mensen. Het is wel leuk om ze zo te zien zonder dat zij mij zien. Jasper ziet dat ik recht zit en komt ook recht zitten. Samen kijken we recht vooruit.
Ik voel me plots ziek, misselijk, hoofdpijn. Ik weet niet wat ik heb. Ik adem een beetje sneller dan normaal. Ik leun wat meer naar voren. Het lijkt alsof ik moet overgeven, maar niet kan. Alles in mijn zicht begint te trillen. Vaag hoor ik Jasper vragen of het gaat.
“Nee.”, komt er gebroken uit mijn mond. Plots zit hij vlak voor me. Zijn gezicht vlak voor de mijne. Ik leg mijn voorhoofd tegen de zijne. Mijn ademhaling gaat sneller. Wat gebeurt er nu. Ik voel Jaspers hand door mijn haren gaan. Af en toe wordt het zwart voor mijn ogen. Ik hoor Jasper zijn woorden niet meer. Ik hoor alleen mijn ademhaling in slow motion. Nu wordt mijn beeld echt zwart. Ik hoor niets meer. Ik val in een diepe put. En dan, niets meer. Zwart. Volledig zwart.
Er zijn nog geen reacties.