Foto bij Wars will never cease

Rustig open ik mijn ogen. De zwarte duisternis van mijn dromen wordt ingeruild voor een heldere kamer. Helder is de kamer niet echt, maar het is in ieder geval lichter dan de binnenkant van mijn oogleden. Ik lig blijkbaar in bed. Ik schud de dekens van me af en ga naar het raam. Ik open de gordijnen en laat het zonnetje binnen. Nu is mijn kamer wel helder verlicht. Ik laat het zonnetje op mijn gezicht schijnen. Heerlijk. Ik sluit mijn ogen en geniet van het moment.

Ik laat het raam en de zon voor wat het is en ga naar beneden. Alweer zie ik iedereen daar beneden. Ze zijn vrolijk aan het praten in de zetels. De een kijkt ondertussen televisie, de andere is een boek aan het lezen en sommigen doen gewoon niets. Ellen is druk in conversatie met Peggy in de zetel. Jasper zit ertussen en ziet er verveeld uit. Arme jongen, de meisjes zijn zeker meidenzaken aan het bespreken en trekken hem er mee in. Ellen merkt me op en wenkt me.
“Kom Janah, kom eens hier.”, zegt ze enthousiast.
“Ik was Peggy en Jasper net van alles aan het vertellen. Jij wil misschien ook wel meepraten.”, vertelt ze. Ik kijk haar aan en vervolgens Jasper die half onderuitgezakt zit. Hij wil eronderuit, letterlijk. Maar Ellen laat dat waarschijnlijk niet toe. Zo iemand is ze volgens mij wel. Zo enthousiast en ze wil dat met iedereen delen. Ik glimlach even.
“Kom Jasper, schuif eens op zodat Janah ertussen kan.”, beveelt ze.
“Ik wou eigenlijk op de wandel gaan ofzo. Ik heb niet echt zin om te zitten.” Ik schud nee terwijl ik deze woorden zeg. Ellen knikt. Mijn ogen vallen terug op Jasper. Hij kijkt me met puppyoogjes aan. Hij wil gewoon mee. Ik heb zoveel medelijden met hem.
“Jasper, wil jij mij anders de buurt laten zien? Dan kan ik niet verloren lopen.” Jasper veert recht uit de zetel en neemt mijn hand vast en trekt me mee. Er gaat een klein schokje door mijn arm heen en ik word meegetrokken en heb niet te kiezen. Enigszins verbast, volg ik zonder problemen mee naar buiten. Jasper trekt de deur achter ons dicht.
“Godzijdank. Ik dacht dat ik daar nooit weg zou geraken.” Ik krijg een onverwachtse knuffel.
“Dus… Waar wil je heen?”, vraagt hij me.
“Euhm.. wat raad je me aan?”
“Ik weet wel iets. Kom volg me maar.”

Na een kort, maar gezellig tochtje komen we aan bij een park. Het is niet geweldig groot, maar precies groot genoeg om tot rust te komen. De groene bomen spreken tot me en het kleine vijvertje straalt kalmte uit. Het is perfect.

We laten ons op het gras zakken. Languit liggen we met onze rug naar de hemel te kijken. Het is een mooie dag, maar toch hangen er een heleboel wolken in de lucht. Alsnog, het maakt me niet veel uit. Regen, sneeuw of zonneschijn, het maakt me niet uit. Ook al heb ik Jasper en nog enkele andere lotgenoten, toch voel ik me alleen. Jasper is een leuke afleiding, maar ik mis Joris echt heel hard. Misschien had ik beter in het ziekenhuis gebleven. Want Joris zal waarschijnlijk aan mijn zijde zitten. Ik weet gewoon dat hij niet van mijn zijde zal wijken zodra hij me in dat bed ziet liggen. Ook al zie ik er misschien afschrikwekkend uit, of tenminste mijn lichaam. Mijn geest ziet er perfect normaal uit.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen