My kingdom for a horse

Ik sta op mijn benen, maar ik voel ze niet. Ik word niets gewaar. Het is alsof ik een wolkje ben. Het is zo gek. Ik kijk even vreemd naar het meisje en ze kijkt begripvol terug. “Kom,” commandeert ze me en trekt lichtjes aan mijn hand. Ik hoop dat ik zo meteen wat meer te weten krijg. Even kijk ik naar mijn nog vrije hand. Het ziet er normaal uit. Integendeel tot de hand die ik net heb gezien. Die hand has schaafwonden. Na mijn kleine observatie kijk ik terug op om te zien waar het meisje me heen leidt. We lopen door de gangen van het ziekenhuis, maar ik heb geen idee waar ergens we zijn. Terwijl we lopen komen we verschillende mensen tegen: dokters, verpleegsters en bezoekers. Niemand van deze personen kijkt naar ons om. Ze negeren ons compleet, alsof we niet bestaan.
Ik word nog steeds geleid door het meisje tot ik een bekend gezicht zie, zelfs meerdere bekende gezichten. We komen in een wachtzaal waar ik drie mensen zie zitten die enorm veel voor me betekenen. Joren en mijn ouders zitten op de donkerblauwe plastieken stoeltjes. Ik ruk mijn hand los en wil naar hen toe gaan. Ik ben zo blij dat ik hen zie. Het meisje stopt me echter. Ik kijk haar verbaasd aan. Stopt ze me nu? Mag ik hen niet zien? Met vragende ogen kijk ik haar aan.
“Je kan zo lief kijken als je wilt, maar je krijgt hen niet terug. Niet in deze situatie. Als je nu naar hen toe gaat, wordt je alleen maar geconfronteerd met verdriet, hun verdriet en jouw verdriet.” Haar ogen staan strak op de mijne gericht wanneer ze deze woorden uit haar mond laat komen. Ik ben helemaal niet verdrietig. Hoe komt ze daar nu bij? Ik ben zelfs heel blij omdat ik hen zie. Zij zullen ook blij worden omdat ze mij gaan zien.
“Je hebt het verkeerd. Ik wil naar hen toe. Jij kunt me niet tegenhouden.” Met deze woorden gezegd zijnde draai ik me abrupt om en wandel richting het enige vertrouwde in deze ruimte.
Ik kniel voor Joren neer. Hij laat zijn hoofd rusten op zijn handen, die weer op hun beurt rusten doordat zijn ellenbogen op zijn knieën steunen. Ik aai hem over zijn ellenbogen, maar ik voel zijn warmte niet.
“Hé lieverd, niet triest zijn. Ik ben er.” Ik kijk met mijn vriendelijkste ogen in zijn ogen. Zijn blauwe ogen kijken me aan, maar het is alsof hij me niet ziet staan.
“Lieverd.” Een beetje gespannen wil ik zijn hand vast nemen. Het is alsof mijn handen geen kracht bevatten. Ik krijg geen beweging in zijn hand. Ik sta geagiteerd op en wil hem een beetje door elkaar schudden, ook dit lukt me niet. Waarom lukt me dit niet?
“Mama, papa!” Ik richt me naar hen toe, maar ook zij kijken niet op. Ik probeer hen wakker te schudden, maar dat is tevergeefs. Een traan verlaat mijn ooghoek. Wat is er aan de hand? Waarom luistert er niemand? Ik draai me om naar het meisje. Ze kijkt me met spijt aan. Is dit wat ze bedoelde? Ze komt naar me toe.
“Dit wou ik voorkomen. Ze zien je niet. Niemand hier ziet je. Buiten jij is er ook niemand die mij ziet. En ik leg het allemaal uit, maar eerst wil ik op een meer comfortabele plaats zijn. Kom, dan gaan we. Neem afscheid.” Geluidloos rollen de tranen over mijn gezicht. Ik knik naar haar. Om de een of andere reden vertrouw ik haar. Ik draai me terug om en zet me op mijn knieën voor Joren neer. Ik druk een kus op zijn lippen en sta dan weer op. Met een laatste blik op deze drie personen verlaat ik de kamer. Ik zou er alles voor willen doen om terug bij hen te zijn.
Er zijn nog geen reacties.