5

Music: My Immortal - Evanescence
http://www.youtube.com/watch?v=5anLPw0Efmo
Because it's an awesome song <3
Degene die op de rand van mijn bed zit is niet Isa. Ook niet mam. Het is een jongen. Is het pap? Nee, daar is hij te jong voor. Ongeveer net zo oud als ik, zie ik, zodra de sterretjes die voor mijn ogen dansen zijn verdwenen.
‘Wie the fuck…’ begin ik, maar de jongen onderbreekt me.
‘Finn,’ zegt hij.
‘Finn?’ herhaal ik, om te controleren of ik het goed heb verstaan.
‘Ja, Finn,’ bevestigt de jongen. Zijn naam klinkt bekend maar ik kan hem niet plaatsen.
‘Dus?’ vraag ik.
‘Dus wat?’ zegt hij. Hij verwacht vast een antwoord maar ik staar hem alleen maar aan. Hij zal zelf toch wel het beste weten wat hij hier komt doen?
‘Juul, wat bedoel je?’ zegt hij aandringend.
‘Hoezo?’ vraag ik. Ik heb zin om hem te pesten. Geen flauw idee waarom.
‘Ja, wat wil je nou?’ zegt hij.
‘Weet ik veel. Wat wil jij?’ is mijn antwoord. Volgens mij snapt hij er geen hol van.
‘Wat ik wil?’ vraag hij. Hij snapt er dus echt niks van.
‘Ja!’ roep ik, ‘ja, dat vroeg ik toch!?’
‘Juul, waar ben je mee bezig?’
‘Met mijn geheugen terug te krijgen. Dus aan alleen ‘Finn’ heb ik niet genoeg hoor, als ik wil weten wie jij nou weer bent,’ zeg ik verontwaardigd.
‘Ik ben je beste vriend!’ roept hij.
‘En Daphne dan? Isa zei dat zij mijn beste vriendin was! Maar jij…’ ik maak mijn zin niet af. Ik wilde hem eigenlijk beledigen omdat hij zomaar roept dat hij mijn beste vriend is zonder dat ik verder weet wie hij is – afgezien van zijn naam – maar bij de naam van Daphne kreeg hij tranen in zijn ogen dus houdt ik mijn mond en besluit ik om maar even te wachten met mijn belediging.
‘Tja… ehm…’ begint Finn, maar hij moet stoppen om zijn verdriet in te slikken. Er is dus duidelijk iets aan de hand met Daphne. Nou ja, ik ken haar niet, dus ik zou me nergens zorgen om moeten maken. Ik weet alleen dat zij de eerste vriendin is die ik ooit had. Als ik Isa zou moeten geloven tenminste.
Ineens schiet er een beeld door mijn hoofd. Twee meisjes, van een jaar of 7 en 11, lachend op de achterbank in een auto. Het jongste meisje lijkt op mij, de oudste op Isa. En dan herinner ik het me weer. We gingen op vakantie naar Frankrijk en onderweg waren we gekke bekken aan het trekken naar mensen in andere auto’s. Op een gegeven moment kwam er een klein autootje aangereden met een oude man erin, rond de 80. We trokken een gekke bek en zwaaiden naar hem. Toen hij het zag trok hij hetzelfde gezicht als wij en zwaaide terug. Daarna lagen we nog zo’n kwartiertje dubbel, waardoor we dus een heleboel auto’s hadden gemist om gekke bekken naar te trekken.
Nog een paar dingen meer komen terug. Een boek. Ik weet de titel niet meer, iets met een H? Het was echt heel goed. Drie delen waren er volgens mij, of vier. Nee, drie. Nou ja, het zal wel.
‘Juul?’ vraagt Finn voorzichtig. Ik schrik, ik was vergeten dat hij er nog was.
‘Ja?’ vraag ik lichtelijk geïrriteerd.
‘Weet je het echt niet meer?’
‘Wat weet ik niet meer?’
‘Wie… wie ik ben?’ Zo, dat kwam er wanhopig uit.
‘Nope,’ antwoord ik, ‘ik weet niet eens meer wie ik zelf ben, dus laat staan dat ik weet wie jij bent.’
Dan zie ik voor het eerst de uitdrukking op zijn gezicht. Verdrietig. En ik krijg medelijden met hem. Stel dat het waar is, dat hij echt mijn beste vriend is. Ik ben aangereden en weet niets meer. Hij komt me opzoeken in het ziekenhuis en dan maak ik het hem zo lastig! En dan is die Daphne er ook nog…
Maar aan de andere kant, ik ben wel mooi degene die in het ziekenhuis ligt. Ik ben degene die is aangereden. Ik ben degene met geheugenverlies! Dat geeft toch redenen genoeg om het hem moeilijk te maken? Hij mag toch niet zomaar van mij verwachten dat ik hem ken terwijl ik van mezelf ook niets meer weet?
‘Zal ik je iets over mezelf vertellen?’ vraagt Finn voorzichtig.
‘Ja,’ zeg ik, in een poging om aardig te doen.
‘Oké, wat wil je weten?’ zegt hij. Ik denk even na.
‘Weet je, stel maar gewoon een vraag en dan geef ik antwoord,’ oppert hij. Ik knik en ga van start.
‘Naam?’
‘Finn Lee.’
‘Leeftijd?’
‘Veertien.’
‘Lievelingskleur?’
‘Donkerblauw.’
‘Bestaat God?’ Bij het horen van die vraag schiet Finn overeind.
‘Wat heeft dat met mij te maken?’ zegt hij verbaasd.
‘Gewoon. Een of andere verpleegster hier heeft het de hele tijd over God en bidden en dat als ik dat zou doen God mij misschien mijn geheugen teruggeeft. Maar ik heb God nog nooit gezien dus vandaar.’
‘Ik heb hem ook nog nooit gezien,’ zegt Finn bij wijze van een antwoord.
‘Dus hij bestaat niet?’ vraag ik.
‘Weet ik niet. Zodra ik het weet vertel ik het je.’
‘Oké, ehm… Hoelang ken je mij al?’
‘Sinds groep 1 dus… tien jaar.’
‘O,’ zeg ik. En dan weet ik geen vragen meer, dus als hij vraagt of ik nog iets wil weten, antwoord ik met een simpele: ‘Nee.’
Dus kijken we elkaar een tijdje aan.
Als je een tijdje naar Finn kijkt is hij eigenlijk best wel knap weet je. Hij heeft mooie diepgroene ogen en een rechte neus. Zijn bronzen haar krult een beetje. Hij is niet groot en niet klein en heeft een prachtig lichaam. Eigenlijk is alles aan hem mooi. Maar ik weet niet of ik het hem ooit kan vertellen. Want ik ken hem al tien jaar. Volgens hem dan.
Maar volgens mij is het waar, want er verschijnt weer een beeld voor mijn ogen. Een jongetje van een jaar of 4 dat met een ingespannen gezicht een tekening maakt. Zijn groene ogen staan geconcentreerd en zijn bronzen krullen vallen voor zijn ogen. Ja, dat is Finn, in groep 1. Hij spreekt dus de waarheid. Hij had een meisje met donkerbruin haar getekend en die gaf hij aan mij. Het leek – voor een kleutertekening – nog best veel op mij. Dezelfde vorm van het gezicht, hoe het haar viel, de verhoudingen van het lichaam, ook al waren dat streepjes. Even later keek ik toe hoe hij met dezelfde uitdrukking op zijn gezicht een ander persoon tekende. Een meisje met blond lang haar dat in twee vlechten was gebonden. En daarna gaf hij de tekening aan een meisje dat op het poppetje op zijn tekening leek. Een naam schiet door mijn hoofd. Daphne. Dus ze bestaat.
‘Wil je nu wat over jezelf weten?’ vraagt Finn.
‘Ja. Mijn volledige naam. Ik weet alleen dat ik Julia heet…’
‘Je naam is Julia Veland.’
‘Leeftijd?’
‘Veertien.’
‘Lievelingskleur?’
‘Appeltjesgroen.’
‘Favoriete boek?’
‘De Hongerspelen.’ Zie je wel, denk ik, ik had het goed qua boek! Het was met de H!
‘Lievelingsmuziek?’
‘Evanescence en Simple Plan.’
‘Lievelingseten?’
‘Lasagna.’
‘Ben ik vervloekt?’ Finn verslikt zich in zijn eigen speeksel en ik moet verdomd hard op zijn rug slaan voordat hij weer normaal kan ademen. Eigenlijk moet ik zo weinig mogelijk energie verbruiken volgens de dokter, rust houden en zo, maar ik kan mijn beste vriend toch niet laten stikken?
‘Hoezo vervloekt?’ vraagt Finn verbaasd.
‘Isa vertelde me over mijn leven, maar…’
‘Wat heeft ze je allemaal verteld?’ onderbreekt Finn me.
‘Nou, ze is pas bij het stuk dat jij net genezen bent van kanker of iets dergelijks.’
‘O,’ is het enige wat hij zegt.
‘Toen waren we vijf, Finn. Weet je wel hoe vaak ik toen al in het ziekenhuis heb gelegen!?’ roep ik uit.
‘Ik weet het, Juul, ik weet het. Vaak. Maar waarom zou je dan vervloekt zijn?’
‘Ik lig supervaak in het ziekenhuis, jij krijgt kanker, mijn opa ging dood, enzovoorts… En ik was pas vijf! Dat kan toch gewoon geen toeval meer zijn?’
‘Tja…’ zegt Finn. Weet hij nou echt niets beters? Hij had op zijn minst… Ja, wat had hij op zijn minst kunnen zeggen? Ik zucht.
‘Maar… ik ben veertien… Isa is met vertellen pas bij mijn vijfde. Ik ben bang voor wat er allemaal gaat komen. Of eigenlijk al is gebeurd…’
‘Nou, je gaat in ieder geval niet dood,’ zegt Finn droog. Ik zoek naar iets om tegen zijn hoofd te gooien – of in ieder geval in die richting aangezien ik nog niet de volledige controle over mijn lichaam terug heb – maar ik vind niets. Balen. Dus in plaats van iets naar zijn hoofd gooien wordt het staren. Niets zeggen en staren.
‘Juul, het is toch de waarheid?’ zegt Finn.
‘Ja, dat is, maar ik ben toch bang… het kan wel iets anders engs zijn. Misschien dat iemand anders dan wel…’ Jezus, gaat hij nou weer janken?
Finn snuift en zegt: ‘Misschien ja…’
Een traan rolt over zijn wang en ik kan hem niet langer meer aankijken.
‘Je vindt het stom hè?’ zegt hij.
‘Wat vind ik stom?’
‘Dat ik nu moet huilen.’
‘Uhm..’ zeg ik vaag. Ja, ik vind het stom ja, maar dadelijk huilt hij om iets serieus. Iets ergs. Weet ik veel. Dadelijk kwets ik hem nog of zo!
‘Ja of nee?’ dringt hij aan.
‘Een beetje…’ probeer ik zijn vraag te ontwijken.
‘Eerlijk zeggen.’ Hij kijkt me dringend aan met zijn betraande ogen, en ik geef me over.
‘Oké, ja, ik vind het stom.’ Nog een traan die over zijn wang rolt.
‘Waarom zei je het niet meteen?’ zegt hij met een verdrietige stem.
‘Ik… Omdat… omdat ik je niet wilde kwetsen,’ zeg ik voorzichtig.
‘Oh…’ Zijn gezicht krijgt een intense uitdrukking en ik wend me af. Ik richt mijn aandacht op het schilderij aan de muur. In tegenstelling tot Finn is dit een van de lelijkste dingen die ik ooit heb gezien. Het lijkt wel alsof de schilder gewoon wat random verf op een doek heeft gepleurd. De kleuren vloeken enorm bij elkaar. Ik kan het niet meer aanzien, dus ik draai me om, en nadat ik me onder mijn dekens heb genesteld val ik in slaap.
Niet veel later wordt ik wakker. Tot mijn verbazing zit Finn nog steeds op de rand van mijn bed. Hij heeft een schetsblok op zijn schoot en hij krast met zijn potlood over het papier. Ik schuif een beetje overeind.
‘Wat teken je?’ vraag ik, waarop Finn uithaalt met zijn potlood en overeind schiet.
‘Juul!’ roept hij uit.
‘Ja, dat ben ik,’ antwoord ik droog.
‘Dude, je liet me schrikken!’
‘Ja, maar wat teken je nou?’ Bij wijze van antwoord houdt Finn zijn schetsblok omhoog. En dan zie ik mezelf. Het lijkt precies. Net een foto.
‘Finn…’ begin ik.
‘Ik weet het, het slaat nergens op,’ zegt hij.
‘Nee, nee! Het is echt prachtig! Werkelijk waar!’ roep ik. Finn gumt de streep uit die hij net van schrik op het papier zette, scheurt het vel uit het schetsblok en steekt het in mijn richting.
‘Hier, je mag het hebben,’ zegt hij. Volgens mij denkt hij dat het niks is, maar ik ben er echt dolblij mee.
‘Dank je,’ zeg ik, en ik voel mezelf rood worden. Ik heb zin om mezelf te slaan.
‘Finn?’ zeg ik even later.
‘Ja?’
‘Uhm…’ Ik twijfel even, want de vraag die ik wil stellen is niet niks. Maar ik stel hem toch. ‘Hoe… hoe voelde het om kanker te hebben?’
Finn slikt, maar hij vertelt wel.
‘Klote.’
‘Ja, maar hoe ging dat dan allemaal? Was je bang?’
‘Ik was heel bang, want de dokter had al uitgelegd dat er een kans was dat ik dood zou gaan.’
‘Ga weg! Dat zeg je toch niet tegen een kind van vijf?’
‘Blijkbaar wel dus.’
‘Hoe begon het dan?’
‘Nou, ik was een tijdje ziek, dus ik lag al een paar dagen op de bank of in bed, toen mijn moeder in een keer allerlei blauwe plekken ontdekte, overal op mijn lichaam. Die blauwe plekken had ik normaal ook wel, maar dat was dan van het buiten spelen. En nu was ik al bijna een week niet meer buiten geweest… Mijn moeder vertrouwde het niet en nam me mee naar de dokter. Die stuurde me door naar het ziekenhuis. Daar kreeg ik onderzoeken en de uitslag was leukemie. Ik had natuurlijk geen flauw idee wat dat inhield, maar dat werd me al gauw duidelijk gemaakt.’
‘Kun je het mij ook even duidelijk maken?’
‘Nou, leukemie is dus eigenlijk gewoon kanker in je bloed. Maar het kan ook gewoon uitzaaien naar andere delen van je lichaam. Wat bij mij godzijdank niet is gebeurd. Maar vanaf dat moment lag ik heel veel in het ziekenhuis. Ik kreeg bestraling, dan maken ze met radioactieve stralen de kankercellen in je lichaam kapot. Ook kreeg ik chemo, dat zijn medicijnen die de kankercellen kapot maken, maar ook andere cellen in je lichaam, zogenaamd per ongeluk. De dokters vertelden mij altijd dat er in de chemo chemomannetjes zaten die zo graag de kankercellen kapot wilden maken dat ze soms ook per ongeluk in hun enthousiasme wat gewone cellen kapot maakten. En na een chemokuur werd ik altijd ziek. Je werd er misselijk van, je haar viel er – meestal – van uit en je kreeg zo’n dik hoofd. En ik werd daardoor kaal. Jij en Daphne vonden het zo zielig dat jullie je eigen hoofd ook kaal wilden scheren. Maar de volgende dag kwam ik met een pet naar school en zei dat dat niet meer hoefde, omdat nu niemand het meer zag en ik die pet toch ook best wel stoer vond. Maar op een gegeven moment ging het zo slecht met me dat ik niet meer naar school mocht. Ik sliep hele dagen en lag de helft van de tijd in het ziekenhuis. Na een tijdje raakte ik in coma, en de dokters dachten dat ik nooit meer zou ontwaken uit die coma. Maar op dezelfde dag dat zij mij officieel opgaven – dat betekent dat ze niets meer voor me konden doen, dat ik dood zou gaan – werd ik toch wakker. En vanaf dat moment ging het beter met me. Na twee maanden zat ik weer op school en nog een paar maanden later kregen we het bericht dat ik clean was. Ik heb toen een feestje gegeven met mijn familie, Daphne en jou. De daaropvolgende vijf jaar ben ik wel heel bang geweest dat ik weer ziek zou worden, want ik was nu dan wel kankervrij, maar over vijf jaar mag je je eigenlijk weer echt zo noemen, want na die tijd heb je weer evenveel kans om kanker te krijgen als een normaal mens, dat nog nooit kanker heeft gehad. Maar als je voor die vijf jaar opnieuw kanker krijgt ga je eigenlijk sowieso dood… Dus ik was toen nog ongeveer net zo bang als toen ik echt ziek was. Maar gelukkig kwam de kanker niet terug in die vijf jaar.’
‘Thank God,’ zeg ik.
‘Ja, nogal,’ zegt Finn afwezig.
En dan kijk ik recht in zijn groene ogen. Hij buigt naar me toe. O my god, denk ik, what the fack doet hij? En dan drukt hij zijn lippen op de mijne. Zoenen. Dat doet hij dus, schiet het door mijn hoofd. En ik kus hem terug.
Er zijn nog geen reacties.