Paradise

Ik open mijn ogen. Zacht zonlicht valt op mijn gezicht. Verrast knipper ik met mijn ogen en ga rechtop zitten. Waar ben ik? Het lijkt een beetje op de hal van de bibliotheek waar ik vaak kom. Houten vloeren, roodbruine lambrisering, zo’n ouderwetse balie van hetzelfde hout. De zon schijnt naar binnen door een halfrond raam dat zich recht boven de balie bevindt. Ik zit op een stoel met roodleren bekleding en draag een gemakkelijke jeans en mijn favoriete witte bloes.
Ben ik soms in slaap gevallen tijdens het lezen? vraag ik me af. Is dit een droom? Een beetje versuft sta ik op en loop over de gladde houten vloer naar de balie. Ik heb geen schoenen aan, maar dat geeft niet.
Er is niemand te zien in de ruimte, hoewel er overal stoelen en leestafels staan. Boekenkasten kan ik niet ontdekken, dus ik neem aan dat dit de leesruimte is. Achter de balie ontwaar ik een grote deur met matglazen ruitjes erin. Misschien vind ik daarachter de boeken wel.
‘Eh... Hallo?’ roep ik aarzelend. Mijn stem galmt door de ruimte en plotseling voel ik me onrustig worden. Wat doe ik hier? Waar ben ik hier? Ik kan toch niet in slaap zijn gevallen? Om er zeker van te zijn dat ik wakker ben, knijp ik mezelf in mijn arm. Een kreet van pijn ontsnapt aan mijn lippen. Ik droom dus niet. Wat gebeurt er dan met mij?
‘Ah, daar ben je,’ zegt een kalme stem achter mijn rug. Geschrokken draai ik me om, klaar om mezelf te verdedigen, maar die impuls verdwijnt zodra ik de eigenaar van de stem zie. Of eigenlijk, eigenares. Een oude dame met een sneeuwwit permanent en een bloemetjesjurk zoals mijn oma die draagt, kijkt vriendelijk naar me over de rand van een gouden brilletje.
‘Nora Elizabeth Gabrielle van Dam, geboren vijftien juni 1985?’ vraagt ze op zakelijke toon. Ik knik, verbaasd dat ze mijn tweede en derde naam kent – überhaupt verbaasd dat ze mijn naam kent! En dan ook nog eens mijn geboortedatum...
‘Goed,’ zegt de vrouw en loopt naar de balie. Ze slaat een groot boek open, dat me doet denken aan het boek van Sinterklaas, en zoekt met haar vinger over een bladzijde. ‘Ah, hier sta je,’ zegt ze. ‘Datum van overlijden, tweeëntwintig juni 2009. Vierentwintig jaar oud. Auto-ongeluk.’
Mijn mond valt open. ‘Datum van overlijden? Ik ben dood?’ Dat klinkt zo vreemd, zo onmogelijk, dat ik mezelf moet vasthouden aan de balie om niet te vallen. Ik ben dood. Ik ben dood. Dat kan toch niet? Nora, wakker worden, niet grappig! Maar ik weet dat ik niet droom.
‘Ach liefje,’ zegt de vrouw vriendelijk. ‘Dit is het Paradijs, zie je.’ Ze maakt een weids gebaar door de ruimte. Ondanks mijn schok kan ik het niet laten om één wenkbrauw op te trekken. Dít, het Paradijs?
‘Jaja, je gelooft het vast niet!’ lacht de vrouw. ‘Maar het is wel zo.’
‘Het Paradijs is een bibliotheek?’ Ik kijk haar sceptisch aan en schud mijn hoofd. ‘Dit is waanzin, dit kan niet waar zijn! Ik wil hier weg.’
Ik draai me om, op zoek naar een uitgang, maar de enige deur die ik zie is die achter de balie. Dus loop ik om de balie heen, recht op die deur af. Hoe onbeleefd het ook is, ik wil hier geen minuut langer blijven!
‘Ach meisje...’ hoor ik achter me. ‘Dat is niet de uitgang. Er is geen uitgang.’
Ik negeer haar en duw de deur open. Achter me hoor ik voetstappen, dus ik weet dat ze me volgt. Van mij mag ze, ik houd haar niet tegen. Ik wil hier gewoon weg!
Dan kijk ik om me heen en mijn mond valt open. Of dit het Paradijs is weet ik niet, maar een bibliotheek duidelijk wel! Rijen en rijen kasten, van hetzelfde roodbruine hout als in de hal, van onder tot boven volgepakt met boeken en boeken en boeken en boeken...
Ik ben opgegroeid tussen inkt en papier; de aanblik van al deze boeken doet mijn handen jeuken. Zo zou ik mij het Paradijs eigenlijk best voor kunnen stellen: alleen maar boeken, en de eeuwigheid de tijd om alles te lezen!
‘Zie je?’ zegt de vrouw achter mij. ‘Ik heb het je gezegd. Wil je hier nog steeds weg?’
Ik schud mijn hoofd, niet in staat te spreken. Hunkerend glijden mijn ogen over de leren ruggen van de boeken. Ik wil mijn handen ernaar uitsteken, ook al weet ik dat ik hen dan nog steeds niet aan kan raken.
‘Wat wil je hebben?’ vraagt de vrouw. ‘Ik ben de bibliothecaresse, als je een boek wil lezen kom je bij mij.’
‘Ik kan er toch zelf één uitzoeken?’ antwoord ik en loop naar de eerste de beste boekenkast. Het ruikt hier ook naar boeken, denk ik bij mezelf. Muf, oud, vochtig papier, maar voor mij is het de beste geur die er bestaat.
Dan concentreer ik me op de boeken zelf, op hun inhoud. Zouden mijn favoriete verhalen hier tussen zitten? Dat moet wel, dit is de grootste bibliotheek die ik ooit heb gezien. En bovendien, als dit écht het Paradijs is, dan móeten ze toch gewoon de juiste boeken hebben?
Ik trek lukraak een boek uit de kast en sla het open. Op de eerste pagina staat niets anders dan “E”. Voordat ik verder kan bladeren, trekt de vrouw het boek uit mijn handen.
‘Liefje, ik zeg toch, als je een boekt wilt lezen kom je naar mij. Het is niet verstandig om rond te dwalen in de bibliotheek.’
‘Waar gaat dat boek over?’ negeer ik haar en wijs op het geval in haar handen.
‘Over de letter “E”,’ antwoordt ze.
‘Over de letter “E”?’
‘Dat zeg ik, ja.’
‘Maar... Waarom?’ Waarom zou iemand in godsnaam een boek willen schrijven over de letter “E”? Ik kan er met mijn hoofd niet bij.
De vrouw lijkt te begrijpen wat ik denk, want ze lacht zachtjes en zet het boek terug in de kast. ‘Kom maar,’ zegt ze. ‘Ik leg het je uit.’
Ja, dat mag ook wel. Ze begint echter niet te praten, maar legt haar hand onder mijn elleboog en neemt me mee langs de boekenkasten, steeds dieper de bibliotheek in. Het is hier veel groter dan je op het eerste gezicht zou denken, besef ik. Waarschijnlijk gaat dit door tot in de oneindigheid. Als dit écht het Paradijs is, past dat ook wel.
Na een minuut of tien komen we de eerste andere mensen tegen. Het is een leeszaaltje, vol gezellige zetels bekleed met wollige roodbruine stof en mahoniehouten tafeltjes erbij. Iedereen zit met een boek op schoot en lijkt volledig van de wereld, niemand kijkt op als wij het zaaltje binnenstappen. Hoewel ik voornamelijk oude, verschrompelde mannen en vrouwen zie zitten, zijn er ook een paar jongeren bij – zoals ikzelf – en zelfs een kind van een jaar of vijf dat bij een vrouw op schoot zit en met haar duim in haar mond naar de pagina’s van het boek staart. Ik hoop voor haar dat er mooie plaatjesboeken zijn, anders gaat ze een héél saaie eeuwigheid tegemoet.
De vrouw is niet van plan om in de leeszaal te blijven. Ze geeft een rukje aan mijn elleboog. ‘Kom, liefje, nog éven verder.’
Gehoorzaam volg ik de vrouw weer, verder door de bibliotheek. Rijen en rijen boeken glijden aan mij voorbij en ik begin me af te vragen hoe ik hier óóit de weg zal vinden. Als dit het Paradijs is, blijf ik hier voor eeuwig, maar dan nóg, het is hier ontzettend veel te groot. Hoe kan het dat deze vrouw dit alles weet?
Ze blijft plotseling staan en ik bots bijna tegen haar op. Dat merkt ze echter niet, ze zoekt tussen de boeken. Een beetje ongeduldig wip ik van de ene voet op de andere. Ik wil dat ze me uitlegt wat er gaande is, niet dat ze een boek voor me zoekt. Of is er een boek dat gaat over het Paradijs? Het zou me niet eens verbazen.
‘Ah!’ hoor ik haar dan zeggen. ‘Hier is het!’
Ze trekt een dik, in groen linnen gebonden boek uit de kast en duwt het in mijn handen. Er staat geen titel op de voorkant. Nieuwsgierig sla ik het open en bij het zien van het titelblad valt mijn mond naar mijn knieën.
Nora Elizabeth Gabrielle van Dam.
‘Dit boek gaat over mij?’ roep ik ongelovig uit. ‘Maar... Hè... Wat?’
‘Doe maar rustig,’ lacht de vrouw me toe. ‘Ik leg het je allemaal uit.’ Nog altijd verbluft knik ik en ga op het uitstekende onderrandje van de boekenkast zitten. Tijd voor uitleg.
Met zachte, zangerige stem begint de vrouw: ‘Dit, liefje, is het Paradijs. Dat is waar je uiteindelijk terecht komt, als je tijd op Aarde voorbij is. Maar dat is niet alles. Het Paradijs is een opslagplaats, waar alle gebeurtenissen van de wereld in worden opgeslagen. In de vorm van boeken, waardoor je altijd alles terug kan lezen. Dus hier, in de bibliotheek, in het Paradijs, vind je alles over alles dat er te vinden is in het universum.’
‘Alles?’ vraag ik zacht. Vroeger leek dat woord nooit zo vreemd, maar nu kan ik het nauwelijks bevatten. Alles over alles dat er te vinden is in het universum... ‘Dus... U heeft ook een boek over mijn kat?’
‘En over elke vlo die hij heeft,’ knikt de vrouw. ‘Voor elke zandkorrel, voor elke letter, voor elk íets, is er een boek. Voor sommigen zelfs meerderen, want de wind is niet makkelijk in één boek te schrijven. Wind gaat altijd maar door en door...’
‘Net als de bibliotheek,’ begrijp ik plotseling. ‘Want er komen altijd weer nieuwe dingen, toch?’
De vrouw kijkt me goedkeurend aan en knikt. ‘Precies, jij snapt het. Het zal altijd door blijven gaan, altijd en altijd en altijd.’ Ze herhaalt de woorden op zangerige toon, starend in de verte alsof ze iets ziet dat ik niet zie.
Ik ben echter nog niet klaar met vragen. Mijn hoofd tolt, ik kan dit nauwelijks bevatten. Maar mijn natuurlijke nieuwsgierigheid komt boven. ‘En?’ vraag ik. ‘Wie schrijft die boeken dan?’
De vrouw lacht zachtjes. ‘Dat is het grote mysterie. Niemand weet het. Zelfs ik niet. Het Paradijs houdt nergens op en begint nergens. Ik ben alleen maar de bibliothecaresse. Als ik iets niet weet, zoek ik het op in de catalogus. En er zijn veel boeken waarvan ook ik het bestaan niet weet, geloof me.’
Dat kan ik me best voorstellen, het is hier ongelooflijk groot. Dan slaak ik een zucht en zeg zachtjes: ‘Ik vind het niet zo erg om dood te zijn. Ik houd van boeken.’
Glimlachend legt de vrouw een hand op mijn hoofd. ‘Goed zo, liefje. Waar zou je graag over willen lezen?’
Ik denk even na en antwoord: ‘Ik denk dat ik mijn eigen boek maar eens ga lezen. Mag dat?’
‘Natuurlijk mag dat,’ glimlacht ze. ‘Daar zijn het boeken voor. Kom maar, ik breng je terug naar de leeszaal.’
Opnieuw leidt ze me tussen de boeken door, terwijl ik mijn eigen boek tegen mijn borst klem. Ik ben benieuwd wat er over mij geschreven is. En als ik met dit boek klaar ben, wat zal ik dan eens lezen? Ik lach hardop als ik besef dat ik oneindig veel keus heb. Letterlijk. Oneindig en voor eeuwig, heb ik hier boeken over alles. Het zijn grote woorden, maar voor het eerst heb ik daar geen enkele moeite mee. Ik denk dat ik het best uithoud hier, zo tussen de boeken.
Reageer (1)
Coool!
1 decennium geledenal zou ik toch liever onder de zon op een strandstoel liggen en een lekker drankje geserveerd krijgen.