Reconstructed Rehab

‘Ik heb nog één laatste wens voordat ik sterf.’
‘Wat dan, oma?’
Ik hoor de stem van Kiki, mijn kleindochter, maar ik kan haar niet zien. Al lang geleden is mijn zicht verdwenen, het licht gedoofd als een laatste stompje kaars. Aan Kiki’s stem kan ik horen dat ze nieuwsgierig naar me kijkt, maar ik weet niet wat ze ziet. Ik hoop een vriendelijke oude oma, speciaal voor mijn enige kleinkind. Net als ik heeft mijn dochter maar één kind gekregen, een meisje.
‘Ik wil je een verhaaltje vertellen,’ zeg ik dan. ‘Een verhaal van lang geleden, toen ik nog jong was. Kom eens bij me zitten en ik zal het je vertellen.’
Kiki kruipt meteen op mijn schoot. Ze is tien jaar en komt elke dag bij me langs, om thee voor me te zetten en naar mijn verhalen te luisteren. Kiki was de eerste die hoorde dat ik binnenkort zal sterven. Kanker, in mijn hele lichaam. Ze weet het en ze haat het, maar niemand kan er iets aan doen. Nu wil ik haar mijn laatste verhaal vertellen. Zo zal zij het later doorvertellen en nooit zal het verloren gaan.
Ik trek de herinneringen omhoog uit mijn geheugen en laat ze mijn hele brein overspoelen. Veel beeld is er niet, maar des te meer geur, geluid en gevoel. Ik schuif de beelden terug; die heb ik niet nodig. Ik dompel mezelf onder in geur en geluid, en vertel.
‘Op het braakliggende terrein tussen de treinrails woonde ooit eens een clubje van vier vrienden. Nou ja, woonde; ze hadden wel een eigen huis, met ouders en broers en zussen, maar het liefst gingen ze naar het kleine houten huisje tussen de treinen om bij hun vrienden te zijn.
Drie jongens waren het, drie jongens en één meisje. De jongens noemden zichzelf Samuel, David en Rocky. Samuel rook altijd naar pepermunt en had een zware basstem. David gebruikte een hoop deodorant en praatte alsof hij altijd mijlen had gerend. Rocky rook naar limoen en had een stem als een viool. Het meisje... Zij was blind.
Met z’n vieren hadden ze de grootste lol. Eerst, toen ze jong waren, speelden ze samen tussen de treinen en deden alsof ze conducteurs aren. Later werden ze roekeloos en liepen op het spoor. Hun uitdaging was een race tegen de trein. Hoe dichtbij liet je hem komen voor je wegstoof, gillend en lachend?
Tot ieders verbazing was het blinde meisje het beste van het stel. Ze kon misschien niet zien, maar met haar waarneming was niets mis. Veel beter dan de anderen kon zij inschatten hoe dichtbij de trein was en wanneer ze weg moest rennen. Er vielen nooit doden, maar het record stond op haar naam.
De vier jongeren kickten op de spanning. Het was een manier om te ontsnappen aan de sleur van de week, de saaie schooluren en het gezeur van de samenleving. Op school en thuis was het meisje een gehandicapte, waar iedereen naar wees en over fluisterde, zelfs waar ze bij was. Ze was misschien wel blind, maar niet doof en ook niet dom. Ze zag niets; ze hoorde alles.
Op het terrein echter was ze een gelijke, hoorde ze bij de groep. De jongens hadden bewondering voor haar omdat ze de treinen zo goed wist aan te voelen. Voor haar leek het zo makkelijk, ze waren er jaloers op.
Die jaloezie, die bewondering, die spanning met de treinen, alledrie werken als een drug voor dat blinde meisje. Eindelijk werd ze wat ze wilde zijn: een volwaardig mens.
De jongens werden echter ouder en wijzer. Daniel vertrok als eerste. Hij ging studeren, fotografie, en verdween naar het buitenland. Samuel kwam nog maar zelden en Rocky wilde geen spanningsspelletjes meer doen. Hun bewondering voor het meisje sloeg om in bezorgdheid om haar toekomst. Haar interesseerde dat niets en ze werd kwaad. Alsof ze van de ene dag op de andere gestopt was met heroïne, en het nu met wiet moest doen.
Ze werd twintig en Samuel verliet het groepje voorgoed. Die dag kwam het meisje bijna onder een trein. Ze had iets nodig, ze wilde weer hetzelfde meisje zijn als vroeger. Ze wilde op een voetstuk worden gezet dat een bordje “mens” droeg, niet een bordje “blinde”. Rocky trok haar net op tijd weg voor de trein.
Twee jaar later was zij alleen nog over. Rocky had een baan, een huis en een sociaal leven. Zij had een blindenstok en een krotje tussen de spoorbanen. Haar sociale leven bestond uit Rocky’s telefoontjes en de passerende treinen. Elke nacht huilde ze zichzelf in slaap.
De spanning was nog haar enige drug. Ze moest doorgaan, moest, anders zou ze doodgaan. Ze moest het idee hebben dat zij iets was, dat zij iets kon. Soms lukte het niet; soms wilde ze blijven staan en wachten tot de trein te dichtbij was. Maar ze deed het toch niet. Voor Rocky.’
Kiki beweegt op mijn schoot en ik besef weer waar ik ben. In mijn huisje, met mijn kleindochter op schoot. Ze ruikt naar shampoo en aardbeienlimonade. Op de achtergrond tikt een klok. Verder is het stil.
‘Vertel meer,’ dringt Kiki aan. Ik voel hoe ze haar wang tegen mijn sleutelbeen drukt. ‘’t Is mooi,’ zegt ze.
Ik glimlach. Kiki’s stem heeft altijd iets waar ik blij van word, wat ze ook zegt. Dat heeft ze van haar opa; die was ook zo. Die praatte ook alsof hij me op mijn favoriete voetstuk zette. Die zag ook een mens in mij.
Ik ga verder.
‘Rocky bracht haar op een dag een onaangekondigd bezoek. Ze had gehuild, de hele nacht, van eenzaamheid. Ze miste haar vrienden. Nu stond ze op de rails.
“Lieve,” zei Rocky tegen haar, “stap daar nou eens van af. Je bent drieëntwintig nu, je zou beter moeten weten.”
“Ik wil niet beter weten!” riep ze theatraal. Een dramaqueen was ze altijd al geweest. “Dit is de enige manier waarop ik nog kan leven. Oh Rocky, jullie hebben me in de steek gelaten. Ik heb dit nodig, anders sterf ik.”
Daarop nam Rocky haar in zijn armen en kuste haar, lang en teder. “Kom met mij mee,” fluisterde hij. “Ik geef je iets waardoor je dit niet meer nodig hebt.”
Hij gaf haar een kind. Tijdens de zwangerschap bleef ze echter teruggaan naar het spoor; zonder de kick van de treinen hield ze zichzelf niet overeind. Rocky was geweldig, maar ze had méér nodig.
Toen werd het kind geboren. Een meisje, een meisje dat kon zien. Haar moeder was dolblij. Een hele maand lang ging ze niet naar de treinen.
Daarna echter werd het steeds moeilijker om weerstand te bieden aan het spoor. Kind of niet, ze miste iets in haar leven. Spanning... Met de baby op de arm ging ze naar het braakliggende terrein en stond opnieuw, keer op keer, oog in oog met de dood.
Toch begon het na lange tijd af te nemen. Het kind groeide, leerde zitten en praten en lopen en liefhebben. Het adoreerde de moeder. Met haar felblauwe ogen keek ze omhoog en zag het liefste mens op aarde in de blinde vrouw, zag de beste moeder die zij zich wensen kon. En de moeder merkte dat de treinen steeds minder lonkten. Ze had iets anders gevonden, een andere drug.
Afkicken, noemde Rocky het. Dankzij het kind kwam de blinde vrouw van de treinen af. Op haar dertigste was ze compleet clean. De beste rehab op de wereld, noemde ze het resultaat. Ze was gelukkig.’
‘Oh oma,’ fluistert Kiki. Haar stem klinkt vol ontzag. Ze zegt verder niets, maar dat hoeft ook niet. Ik begrijp Kiki en zij begrijpt mij.
Ze springt van mijn schoot en ik voel dat ze haar handje om de mijne sluit. ‘Kom, oma, het is niet ver.’
Ja, zij begrijpt mij. Ik neem Kiki’s hand stevig vast en laat me leiden.
De geuren zijn bekend, ook al ben ik hier in geen jaren meer geweest. IJzer, oud hout en muffe lucht. Ik laat mijn handen over de ruwe wanden van het hutje dwalen. Elke steen zit vol oneffenheden; elke ribbel is een herinnering van mij.
Kiki leidt me weg van het hutje. Ze fluistert zachtjes in mijn oor. ‘Pas op, oma, daar is een steen... Ja, daar, zo.’ Waarschuwingen, richtingen.
Richtingen naar het spoor.
Mijn voeten vinden als vanzelf de oude weg. Hier is niets veranderd, de tijd heeft stilgestaan. Ik voel me weer twintig als ik de rails opstap. Dit voelt goed. Te goed. Alsof een ex-verslaafde de heroïne weer oppakt en zich afvraagt waarom zij in de eerste plaats gestopt is met de drugs.
‘Kiki,’ zeg ik. ‘Blijf bij het hutje. Kom niet dichterbij. Het is gevaarlijk hier.’
‘Ja oma, maar voor jou ook!’ Ze is bezorgd. Lieve kleine Kiki. Ze weet wat er gebeuren gaat, ik hoor het in haar stem. Maar ze probeert mijn rotsvaste voornemen los te wrikken. Lieve, lieve Kiki.
Ik voel de trein. Ik hoor de trein. Trillend over de rails, razend in mijn oren. Het piepen als hij niet snel genoeg remt. Kiki’s gil. Ik sluit mijn toch nietsziende ogen. Ik lach. Dan een klap. Pijn, heel even, heel fel. Zwart.
Rocky’s gezicht, lachend, voor het eerst een helder beeld van mijn enige liefde. Alsof hij nooit is weggeweest. Hij strekt een hand naar me uit, waar ik vol vertrouwen mijn vingers om sluit. Samen gaan we op weg naar het licht.
Reageer (2)
Omg
1 decennium geledenheel mooii geschreven
maar dat ze zichzelf voor de trein laat vallen
alweer mooi geschreven..
1 decennium geledenen gans erg ö