Vlinders

PROLOOG: KORENBLOEMEN
Blauwe bloemen op de pas omgewoelde aarde. Korenbloemen, favoriet van de vrouw die nu onder de grond ligt. Liefdevol schikken mijn vingers de stengels, zodat de blauwe blaadjes de zon vangen.
‘Kijk eens, mama,’ fluister ik zachtjes. ‘Voor jou. Korenbloemen. Vind je ze mooi, mama? Over een jaar groeien er misschien korenbloemen hier.’
Ik wacht op antwoord, maar mijn moeder blijft stil. Ik weet wel waarom. Ze leeft niet meer. Weggerukt uit mijn wereld, voor altijd. Achter mijn ogen voel ik tranen branden, maar ik heb gezworen niet meer te huilen. Ik mag me nu niet van mijn besluit laten afbrengen, door niemand.
‘Mama?’ zeg ik. ‘Luister eens, mama. De vogels zingen en de krekels zitten in het gras. Het is lente.’
Weer blijft het stil. Ik haal diep adem en werp mijn lange rode haren over mijn schouder.
‘Ik kom eraan, mama,’ beloof ik plechtig. ‘Je hoeft niet lang te wachten. Ik kom eraan.’
Dan draai ik me om en loop de begraafplaats af.
VLINDERS
De avond is gevallen. Buiten hoor ik krekels, zelfs in de stad, en de geur van kamperfoelie hangt zwaar in de lucht. De maan is bijna vol; ze staat als een koele toeschouwer aan de fluwelen hemel.
Ik heb me zorgvuldig aangekleed, in de kleren die mijn moeder zo mooi vindt. Gewoon een donkere spijkerbroek, zwarte All Stars en een blauw topje met zwarte vlindertjes erop. Ik trek de gehaakte poncho over mijn hoofd en ik ben klaar.
Mijn fiets leunt tegen het tuinhek, maar ik laat hem staan. Ik loop liever. Het is niet ver en ik wil nog een paar momenten genieten van deze avond. Nog even de frisse lucht opsnuiven vóór ik naar mijn moeder ga.
Twee straten van mijn doel verwijderd hoor ik opeens gegil. Verstoord draai ik mijn hoofd om. Wie is daar? Wie breekt daar de glazen rust op wat een perfecte, kalme avond moet zijn?
Ik herken de winkel. Hot Topic. Vroeger kwam ik daar vaak. Nu ziet het er zwart van de mensen, meisjes van mijn leeftijd. Ze gillen en wijzen naar iets wat ik niet kan zien. Sommigen springen op en neer. Wat is er aan de hand?
Dan zie ik ze. Met z’n vieren zijn ze, zoals altijd. In mijn kamer, op mijn bureau, liggen cd-hoesjes met hun beeltenissen erop. Boven mijn bed hangt een poster van de zanger. Wat doen ze hier in het echt?
Vroeger misschien was ik op ze afgestormd, had ik een handtekening gevraagd. Nu sta ik alleen even stil en kijk toe hoe ze in de winkel verdwijnen. De meisjes gaan door met gillen, maar ik sluit ze buiten. Ik heb wel belangrijker dingen te doen dan hier te staan.
De ene voet na de andere. Langzaam wandel ik door de straat. Het gegil sterft weg. Ik ben weer alleen en dat voelt goed.
Eén straat van mijn doel verwijderd. Iemand zit op de stoep. Zelfs al probeer ik alles opzij te schuiven, uit te bannen, weg te gooien, ik kan niet verhinderen dat mijn ogen groot worden van ongeloof.
Loop ik echt zo langzaam? Of heeft hij gerend? Het moet wel, want anders kan hij hier niet zitten. Misschien doet hij dat ook niet. misschien is het slechts een waanbeeld, ontsproten aan mijn fantasie.
Ik loop naar hem toe, haast werktuiglijk, om te controleren of hij echt bestaat. Ik laat me naast hem op de stoep zakken en raak zijn schouder aan. Ja, hij leeft, hij ademt. Hij is echt.
Verbaasd zoeken zijn ogen de mijne. Hij kent mij niet en ik ken hem niet, ook al weet ik wie hij is. Wat doe ik dan hier? vraag ik mezelf. Sta op, loop weg. Je hoort hier niet te zitten.
Ik blijf echter waar ik ben, staar kalm in zijn hazelnootbruine ogen. De zwartgeverfde haren staan uit naar links en rechts en omkransen zijn hoofd als de manen van een leeuw. Rondom zijn ogen zit zwarte make-up, zoals ik gewend ben van alle foto’s. Het is hem echt. De zanger.
Zwijgend zitten we naast elkaar op de stoep. Hij staart omhoog, naar de lucht; de sterren reflecteren in zijn ogen. Hij merkt dat ik naar hem kijk en draait weer zijn hoofd om. Vragend gaat zijn linkerwenkbrauw omhoog.
‘Waar kijk je naar?’ vraag ik. Mijn stem klinkt zacht, zelfs in de stilte. Geen enkele emotie toont zich op mijn gezicht.
‘De maan,’ zegt hij. We kijken allebei omhoog, naar de lucht, de maan, de bleke sterren.
Het voelt goed om hier te zitten, beter dan ik verwacht had. Iemand die niet weet wie ik ben, waar ik vandaan kom of wat ik heb meegemaakt. Gewoon iemand die naar me kan kijken en mij ziet. Alleen mij.
De woorden ontsnappen uit mijn mond voordat ik mijn tong kan controleren. ‘Kus me,’ fluister ik.
Hij draait weer zijn hoofd naar me toe. Zijn ogen zijn groot van verbazing, verwarring; ik zie het onbegrip in zijn ogen, de wenkbrauw gaat weer omhoog. Hij opent zijn mond om iets te zeggen, maar de woorden blijven in zijn keel steken en ik zie zijn piercing glinsteren.
‘Kus me,’ zeg ik, sméék ik. Mijn stem trilt plotseling, mijn ogen hangen op zijn gezicht en ik onderdruk de neiging om mijn handen naar hem uit te strekken. Mijn zorgvuldig opgebouwde masker is gevallen. Alleen omdat hij me niet kent, durf ik mijn sluiers van doodsheid te laten zakken.
Ik zie iets veranderen in zijn ogen. Hij begrijpt het plotseling. Schok vliegt over zijn gezicht en zijn ogen gaan nog wijder open. Hij schudt zijn hoofd, maar ik weet dat het niet om mijn smeekbede is.
‘Niet doen,’ fluistert hij. ‘Ik weet niet waarom je het wil doen, maar dit lost niets op.’
‘Dat heb ik vaker gehoord,’ antwoord ik zacht. ‘Maar weet je... ik kan gewoon niet meer.’
Hij schudt weer zijn hoofd, ontsteld, maar geeft geen antwoord meer. In plaats daarvan legt hij een zachte hand op mijn wang.
‘Niet huilen,’ murmelt hij. Dan pas merk ik dat geluidloze tranen over mijn wangen stromen. Er gaat een rilling door me heen bij zijn aanraking en ik doe niets om hem te onderdrukken. Mijn ogen zoeken weer de zijne, stellen hem woordeloos weer dezelfde vraag.
Even zie ik hem aarzelen. Zomaar een wildvreemd meisje kussen? Het is geen echte kus, probeer ik te zeggen. ik wil gewoon nog één keer, de laatste keer, de illusie hebben dat iemand om me geeft.
Dan buigt hij zich naar voren, zijn hand nog steeds op mijn wang, en drukt zijn lippen op de mijne. Automatisch vallen mijn ogen dicht. Automatisch reageren mijn lippen op de lichte druk, maar mijn lichaam blijft stil.
Het is geen liefdeskus, dat weet ik, zo voelt het ook niet. Meer als een vriend, gewoon een vriend, die afscheid van me neemt.
Lang duurt het niet, hij trekt zich snel weer terug. Ik heb me nog nooit zo gevoeld als nu; zo leeg en tegelijkertijd zo vol. Leeg, omdat ik weet wat er op me wacht. Vol, omdat deze kus de laatste restjes van mijn masker heeft vernietigd. Alle emoties die ik eigenlijk wil verbergen, verdringen zich achter mijn felblauwe ogen en ik weet dat hij het ziet.
‘Dank je,’ zeg ik zacht. Hij knikt slechts, kijkt me met bezorgde ogen aan. Haast onmerkbaar schudt hij weer zijn hoofd.
Ik sta op; ik heb nu lang genoeg op deze stoep gezeten. Mijn doel ligt nog maar één straat verder. Nu mag ik niet aarzelen. Ik heb mijzelf iets beloofd. Ik heb het graf, de korenbloemen, iets beloofd.
Achter me hoor ik voetstappen. Ik weet dat hij het is, dat hij me volgt. Ik begin sneller te lopen. Zo dichtbij ben ik nu, zo dichtbij. Niemand mag me hier meer van weerhouden.
De huizen wijken en daar is het dan, mijn doel. Het viaduct over de snelweg. Ik leg mijn hand op de balustrade en laat mijn vingers over het metaal glijden, terwijl ik langzaam naar het midden van de brug loop.
Iemand roept de naam van de zanger. Zijn voetstappen aarzelen zelfs niet; hij volgt me de brug op. Nog een keer zijn naam. Nog een keer geen reactie. Een half glimlachje verschijnt op mijn gezicht. Is hij echt vastbesloten om mij tegen te houden? Het spijt me haast voor hem. Hij zal er nooit in slagen.
Als ik op het midden van het viaduct ben, sta ik stil en kijk omlaag. De straatlantaarns verspreiden een oranjegoud licht boven het asfalt en de koplampen van de auto’s schijnen mij als gele speldenprikjes tegemoet.
Ik klim over de balustrade en plaats mijn voeten op het smalle randje dat nog overblijft. Mijn handen omklemmen het metaal. Langzaam blaas ik de lucht uit mijn longen. Nog één keer inademen, nog één keer uit...
‘Godverdomme!’ hoor ik achter me. Het gescheld van de zanger doet me glimlachen, maar als ik mijn hoofd omdraai en zijn gezicht zie, voel ik een schok door me heengaan.
Hij probeert het nog steeds. Ook al is hij nog meters van me verwijderd, hij probeert nog steeds om mij van gedachten te laten veranderen. Zijn bruine ogen smeken mij te blijven staan. Ik schud mijn hoofd.
‘Het spijt me,’ fluister ik. ‘Ik móét.’
‘Nee, verdomme!’ Tranen springen in zijn ogen en ik weet dat hij heeft opgegeven. Hij wil het niet, hij is koppig, maar hij weet dat hij me niet kan stoppen.
‘Vertel me dan tenminste je naam!’ smeekt hij me, nu nog vijf meter van me verwijderd.
Er raast een vrachtwagen langs. Op hetzelfde moment slinger ik mijn naam omhoogs naar de hemel. Of hij het hoort, weet ik niet. Ik kijk niet meer naar hem, wacht niet meer op hem.
Ik zet af.
VLINDERS
De avond is gevallen. Buiten hoor ik krekels, zelfs in de stad, en de geur van kamperfoelie hangt zwaar in de lucht. De maan is bijna vol; ze staat als een koele toeschouwer aan de fluwelen hemel.
Ik hoor het gegil van de fans al vóór ik het zwarte busje heb verlaten. Mijn broer en medebandleden staan achter me, terwijl ik de deur openschuif en naar buiten spring. Zoals altijd tovert het enthousiasme van onze fans een brede grijns op mijn gezicht. Uitgelaten zwaai ik naar hen. Ze springen op en neer en scanderen onze naam. Een warm gevoel trekt omhoog vanuit mijn tenen. Hier doen we het voor.
We lopen de winkel in, maar dat is slechts voor de vorm. Lang blijven we hier niet. Over een half uur vertrekken we naar het hotel. Douche, bed, slaap. En dan morgen naar huis, naar mijn ouders en mijn hond.
Mijn wangen gloeien nog na van het concert. Ik heb behoefte aan afkoeling en besluit om nog even naar buiten te gaan. Mijn broer knikt, maar waarschuwt me om niet te ver te gaan. Ik weet ook wel dat ik geen gevoel voor richting heb en beloof over een kwartier terug te zijn.
Ik glip door de achterdeur naar buiten. Het is heerlijk weer, haast zomer terwijl het pas mei is. Ik hoor de fans nog steeds gillen en sla een zijstraat in. Ze zijn geweldig, allemaal, maar nu heb ik even geen tijd voor ze.
Twee straten verderop zoek ik een plekje met uitzicht op de maan. Ze is bijna vol, niet helemaal; er mist nog een dun randje. Ik laat me op de stoep zakken, trek mijn knieën op en sla mijn armen om mijn benen.
Nog geen twee minuten later hoor ik zachte voetstappen. Een fan? Mijn broer? Ik weet niet wie het is en eerlijk gezegd kan me dat ook niet schelen. Ik kijk naar de maan.
Iemand gaat naast me zitten en raakt lichtjes mijn schouder aan. Verbaasd draai ik mijn hoofd om, automatisch een wenkbrauw optrekkend. Het is een meisje, met felrode haren – geverfd, denk ik meteen – en een donkerblauwe poncho. Een blauw topje met zwarte vlindertjes komt er onderuit.
Ze zegt niets en ik zeg niets. Mijn ogen dwalen al weer terug naar de maan. Ik ben het meisje al bijna vergeten, als ik plotseling merk dat ze me openlijk aanstaart. Is ze fan? vraag ik me af. Ze gilt niet, vraagt niet om mijn handtekening; ze zit daar gewoon.
Weer kijk ik haar aan, wéér gaat mijn wenkbrauw omhoog. Het is bijna een tic, een handelsmerk. Die gewoonte moet ik echt eens afleren.
‘Waar kijk je naar?’ vraagt ze. Haar stem klinkt zacht, zelfs in de stilte, en een beetje hees. Op haar gezicht is geen enkele emotie te zien.
‘De maan,’ zeg ik. Ze kijkt omhoog en ik volg haar voorbeeld. Weer staren we zwijgend naar de maan.
Dan, plotseling, totaal onverwacht, raakt ze mijn knie aan en fluistert: ‘Kus me.’
Ik zak haast opzij van verbazing. Wat zegt ze nou? Is ze dan tóch fan, eentje die zo geobsedeerd is dat ze dit vraagt? Bijna flap ik er mijn standaard antwoord uit, Ik ben mijn broer niet, maar de woorden blijven in mijn keel steken als ik haar gezicht zie. Ze ziet er helemaal niet geobsedeerd uit. Eerder... wanhopig.
‘Kus me,’ fluistert ze weer, smeekt ze haast. Ja, dat is het juiste woord. Het is een smeekbede, geen vraag.
Haar masker valt. De emotieloze uitdrukking maakt plaats voor wilde wanhoop. Ze staart me aan, haar felblauwe ogen zo strak in mijn bruine dat mijn adem versnelt. Ik ken die blik. Ik ken die wanhoop. Ik heb het eerder gezien.
Ook dat was een meisje, maar zij had blonde haren, reikend tot haar kin. Een elfje, een fee misschien, dat was de vergelijking die ik als eerste trok. Dat was vóór ze zich van het dak stortte. Vóór haar slanke lichaam in duizend stukken brak, recht voor mijn ogen. Vóór ik te laat was om haar te redden.
Ik schud mijn hoofd om de herinnering weg te duwen. Dit mag niet, niet nog een keer!
‘Niet doen,’ fluister ik. ‘Ik weet niet waarom je het wil doen, maar dit lost niets op.’
‘Dat heb ik vaker gehoord,’ antwoordt ze zacht. ‘Maar weet je... ik kan gewoon niet meer.’
Ik schud weer mijn hoofd, maar ik zeg niets. Ze huilt. Stille tranen glijden over haar bleke wangen en trekken glinsterende sporen over haar huid. Automatisch strek ik een hand uit en leg die op haar wang.
‘Niet huilen,’ murmel ik. Ze snikt zachtjes. Dan zoeken haar blauwe ogen weer de mijne. Ik lees dezelfde vraag als eerst en aarzel. Moet dat? Ik weet niet... Zoiets doe ik niet. Heb ik nooit gedaan. Eens moet de eerste keer zijn, zou mijn broer zeggen.
Hij heeft gelijk, denk ik. Eens moet de eerste keer zijn. En waarom niet nu? Ze heeft het nodig. Eén keer dan. Om haar te laten zien dat ze niet alleen is. Dat het heus wel iemand kan schelen of ze... of ze leeft.
Ik haal diep adem. Dan buig ik me naar voren, mijn hand nog steeds op haar wang, en druk mijn lippen zachtjes op de hare.
Ze reageert automatisch, maar haar lichaam blijft stil. Het is ook geen echte liefdeskus. Meer... Meer een afscheidskus.
Afscheid. Ik schrik van mezelf, van dat woord, en trek me automatisch terug. Voor mijn ogen dansen sterretjes. Het beeld verspringt, de felblauwe ogen van het meisje tegenover me veranderen in de grijze van de ander. Van het meisje waar ik, tot mijn eigen verontwaardiging, de naam van ben vergeten. De grijze ogen staren me haast vriendelijk aan. Dan verdwijnen ze over de reling. Een doffe klap en dan wordt het stil in mijn hoofd.
‘Dank je,’ zegt ze zachtjes, het meisje met de rode haren. Ze kijkt me even aan en ik voel de paniek naar mijn keel schieten. Ze meent het echt, ze is vastbesloten. Ik wil mijn hoofd schudden, maar ze is te snel en komt vloeiend overeind. Zonder een woord te zeggen begint ze te lopen.
Ik spring overeind. Ze mag niet, verdomme, niet nog eens! Ik wil niet nog een keer te laat zijn. Mijn voetstappen klinken hard in het steegje, maar ze kijkt niet om. Ze heeft haar beslissing genomen en niemand zal haar daarvan afbrengen. Ik heb het eerder gezien. Ik heb er soms nog nachtmerries van. Godverdomme, dat wil ik niet nog een keer!
De huizen wijken en daar is het dan, haar doel. Het viaduct over de snelweg. Ze legt haar hand op de balustrade en glijdt met haar vingers over het metaal terwijl ze de brug op loopt.
Iemand roept mijn naam. Ik herken de stem van mijn tweelingbroer, maar ik geef geen antwoord. Mijn voetstappen aarzelen zelfs niet als ik achter haar aan de brug op stap.
Ze heeft het midden van het viaduct bereikt en staat stil. Haar hoofd buigt een beetje, de haren vallen langs haar gezicht. Dan klimt ze behendig over de balustrade. Haar voeten in de zwarte All Stars een stukje uit elkaar, handen om de reling, klaar om te springen.
‘Godverdomme!’ knalt er uit mijn mond. Mijn hart gooit in het wilde weg met scheldwoorden en ik versnel mijn pas. Rennen gaat moeilijk, zo omhoog, maar ik moet, ik moet, ik moet haar stoppen!
‘Het spijt me,’ fluistert ze. ‘Ik móét.’
‘Nee, verdomme!’ gil ik hysterisch. Niet zij moet, ik moet! Ze moet godverdomme van die verfuckte brug af, begrijpt ze dat dan niet, en niet op die manier! Niet springen, niet springen! Ik wenste dat ik keihard Spring Nicht voor haar kon zingen, maar mijn keel is te droog om zuiver geluid voort te brengen.
Tranen springen in mijn ogen. Het heeft geen zin. Ze gaat springen. Ze gaat het doen. Ze maakt een einde aan haar leven. Godver, godver, godver.
‘Vertel me dan tenminste je naam!’ smeek ik haar, ongeveer vijf meter van haar vandaan.
Ze opent haar mond en ik zie haar lippen bewegen, maar ik hoor niets. Er raast juist een vrachtwagen voorbij. Mijn ogen lopen over, er zijn teveel tranen. Ik hoor het niet! Ik weet het nog niet!
Ze zet af.
Met twee stappen ben ik bij de balustrade, maar ze is al weg. Gesprongen. Ik werp mezelf naar de reling en staar omlaag. Haar lange rode haren wapperen om haar heen. Het zijn net vleugels. Vlindervleugels.
Er klinkt een klap, het gepiep van plotseling remmen, iemand die vloekt en een zucht die ontsnapt uit mijn mond. Mijn knieën begeven het. Als een lappenpop zak ik in elkaar. Ze is dood, morsdood, en meteen raast er een dikke Mercedes over haar heen. Haar toch al gebroken lichaam nog verder vermorzeld.
Iemand hurkt naast me. Ik kan niet zien wie het is; een dik waas van tranen belemmert mijn zicht. Toch weet ik wie het is. Ik herken de ongeruste lage stem in mijn oor: ‘Oh mein Gott, wat is er gebeurd?’
Mijn broer. Mijn tweelingbroer. Ik kan niet praten, mijn keel zit dicht en mijn hoofd tolt. Gelukkig is hij daar en begrijpt wat er aan de hand is. Als ook hij over de reling kijkt, ziet hij de reden voor mijn toestand. Hij weet dat het de tweede keer is. Hij weet welk zinnetje zich herhaalt in mijn hoofd.
Ik ben te laat. Ik was te laat. Te laat. Te laat. Ze is dood. Ik was te laat.
Hij slaat zijn armen om me heen en ik druk snikkend mijn gezicht tegen zijn schouder. Mijn mascara maakt vlekken op zijn shirt, maar daar zegt hij nu niets over. Er zijn wel belangrijke dingen dan mascaravlekken op dit moment.
Het is koud in mijn hoofd, koud in mijn hart, kou die door al mijn ledematen trekt. Ik klappertand alsof ik koorts heb en de rillingen glijden onophoudelijk over mijn rug. Mijn broer lijkt wel een warme kruik vergeleken met mij; gelukkig is hij hier om die warmte aan mij te geven. Hij kan er niet tegen als mensen huilen, hij kan er niet tegen als mensen doodgaan, maar als ik hem nodig heb is hij er voor mij.
Normaal gesproken vind ik het vreselijk als hij zingt. Zijn stem klinkt een stuk prettiger als hij gewoon praat. Nu echter bestaat er geen beter geluid voor mij dan het lage geneurie van mijn broer, geneurie waarin ik algauw de melodie van In die Nacht herken. In die Nacht. Ik heb het voor hem geschreven, een tijd geleden al, om aan iedereen te laten merken dat wij niet zomaar broers zijn. Wij zijn een tweeling. Voor altijd verbonden. Meer dan ooit voel ik nu dankbaarheid voor die verbondenheid.
Pas na een hele tijd weet hij me te kalmeren. Ik hap naar adem, maar de rillingen blijven weg en mijn tranen zijn uitgeput. Mijn gezicht is kletsnat van de tranen en het shirt van mijn broer zit onder de vlekken. Hij zegt echter nog steeds niets. Zwijgend trekt hij me overeind en als ik zwabber op mijn benen, legt hij een arm om mijn schouders.
‘Waar is ze?’ fluister ik zachtjes. Mijn stem klinkt als gebroken glas en zo voelt het ook in mijn keel.
‘De ambulance is gekomen,’ antwoordt mijn broer op fluistertoon. ‘Je merkte het niet...’
Ik was te ver heen om dat te merken, dat weet ik wel. Eigenlijk ben ik blij dat ik het gemist heb. Ik heb nog steeds nachtmerries van de vorige ambulance.
‘Ze is veilig,’ mompelt mijn broer in mijn oor. ‘Ze zijn allebei veilig.’
Hij weet precies wat hij moet zeggen om mij beter te doen voelen. Ze zijn veilig. Ja, misschien heeft hij wel gelijk. Heel misschien. Toch hoor ik, ergens in mijn achterhoofd, nog steeds dat stemmetje.
Ik was te laat. Ze zijn dood. Ik was te laat.
Voetje voor voetje laat ik de brug achter me. Mijn broer heeft me losgelaten, maar hij loopt naast me en houdt me constant in de gaten. Mijn ogen zijn op mijn voeten gericht, mijn hand balanceert lichtjes op de metalen reling.
Dan, plotseling, legt mijn broer zijn hand op mijn schouder en sist met ingehouden adem: ‘Kijk daar eens!’
Ik volg zijn blik en mijn hart slaat een slag over. Daar, helemaal aan het einde van de balustrade, op het allerlaatste puntje metaal, zit een vlindertje met felblauwe vleugeltjes.
Automatisch kom ik tot stilstand. Een vlindertje. Het voelt alsof ze naar ons kijkt, denk ik bij mezelf. Ze klappert met haar vleugels in onze richting. Alsof ze tegen ons praat. Meteen roept mijn brein de juiste woorden op.
Dank je.
‘Graag gedaan,’ fluister ik. ‘Graag gedaan.’
Het vlindertje klappert nog éénmaal met haar vleugeltjes. Dan stijgt ze op en verdwijnt in de nacht.
EPILOOG: HILF MIR FLIEGEN
De zon schijnt. Hoog in de lucht kroont ze de perfect blauwe hemel, als een warme maar afstandelijke vorstin. Haar stralen vallen als sluiers tot op de aarde en brengen vreugde.
Zelfs boven de begraafplaats schijnt de zon. Ze piept door de ramen van het uitvaartcentrum naar binnen en valt op de vanillekleurige vloer. In het midden van de kamer staat een houten kist op een marmeren tafel, waar een wit kleed over ligt. Overal staan of zitten groepjes mensen, pratend maar niet lachend. Allemaal hebben ze iets blauws, iets korenbloemenblauws. Een T-shirt, schoenen, een rok. Precies zoals de jonge overledene – ze was pas achttien jaar – in haar afscheidsbrief heeft gevraagd.
Er is geen huilende moeder die zich vastklampt aan haar echtgenoot. Er is alleen de echtgenoot zelf, die stil en bleek in een hoekje zit. Hij praat niet, al dagen niet, en niemand durft naar hem toe te gaan.
Naast de kist staan twee jonge vrouwen. De ene is net zo oud als de overledene, de ander heeft drie jaar meer. Zij klampen zich aan elkaar vast en huilen openlijk. Het zijn de zussen van het meisje in de kist.
Er ligt een witte doek over het lichaam, maar het hoofdje is wonder boven wonder nog vrijwel ongeschonden en wordt niet bedekt. De rode haren omkransen het hartvormige gezicht en de felblauwe ogen zijn gesloten. Ze ligt er vredig bij, ondanks de rare hoek die haar lichaam vertoont onder de stof.
Een man strak in pak loopt door de kamer. Hij is de medewerker van het uitvaartcentrum en kijkt constant op zijn horloge. Als zijn schema in de war wordt geschopt, raakt hij in paniek, dus hij houdt de tijd scherp in de gaten.
Plotseling stappen er twee late gasten de kamer binnen. Ze blijven hangen op de drempel en kijken zoekend de kamer rond. Het zijn twee jongens. De linkerjongen draagt een blauwe pet, veel te grote kleren en heeft blonde dreadlocks. De rechterjongen gaat in het zwart gekleed; zijn haren, die los om zijn gezicht vallen en iets bol staan door de wax, hebben dezelfde kleur, op één lok na. Zijn schuine pony is korenbloemenblauw.
De twee zussen lopen snel op hen af. ‘Jullie zijn gekomen,’ zegt de oudste zacht. Haar ogen lijken te groot voor haar ernstige gezicht.
De jongens knikken. ‘Ik... we... We hebben iets voor haar,’ antwoordt die met het geverfde haar. Zijn stem klinkt verstikt; hij heeft het moeilijk. Er glinsteren weer tranen in zijn hazelnootbruine ogen.
Niemand zegt iets. De zussen nemen de jongens mee naar de kist. De man met zijn horloge stapt vlug op hen af, want hier wil hij het fijne van weten. Hij vraagt zich af of deze gasten zijn schema in de war zullen schoppen.
‘Pardon,’ excuseert hij zich, ‘maar wie precies zijn jullie?’
‘Getuigen,’ zegt de blonde jongen. De man kijkt hem niet-begrijpend aan en de andere jongen antwoordt met zijn zachte, hese stem: ‘We waren erbij toen ze sprong. Haar laatste woorden heeft ze tegen mij gezegd.’
Zijn stem trilt vervaarlijk en de man met het horloge maakt dat hij wegkomt. Hij houdt van schema’s, dat is de enige reden dat hij voor dit werk gekozen heeft. Met tranen kan hij niets.
‘Kom maar,’ zegt de oudste zus en leidt de jongen naar de kist. Hij haalt een pakje uit zijn broekzak, een klein voorwerp gewikkeld in zwart fluweel. Voorzichtig slaat hij de stof terug. Een vlindertje. Een klein vlindertje van korenbloemenblauwe steen, gevat in een dun lijntje zilver.
‘Het is een haarclip,’ fluistert de jongen. ‘Hij lag in de etalage en deed me aan haar denken.’
Hij wil het sieraad aan de zussen geven, maar de jongste buigt zijn hand af naar de kist. De jongen heeft expres nog niet naar het dode gezicht gekeken; hij durft het niet. Nu haalt hij diep adem en richt zijn zwartomrande ogen op het meisje.
Ze is nog steeds mooi, mooi in al haar doodsheid. Over haar gezicht ligt een lok die daar niet thuishoort. Met tedere vingers veegt hij de haren uit het gezicht. Zijn nagels zijn blauw, met het witte randje dat zo typerend voor hem is. Hij schuift de vlinder in de rode haren. De juiste plek. Dan draait hij snel zijn hoofd af en blaast trillerig zijn adem uit.
De zussen en zijn eigen metgezel slaan meteen hun armen om hem heen. Hij heeft het moeilijk, heel moeilijk, maar slaagt erin zijn tranen binnen te houden. Een paar keer haalt hij diep adem. Dan duwt hij hun armen van zich af.
‘Het gaat wel,’ mompelt hij. De blonde jongen kijkt hem bezorgd aan, maar hij draait zijn hoofd af en herhaalt: ‘Het gaat wel.’
Snel nemen de zussen hen mee naar de rest van de familie, die zachtjes met elkaar staat te praten. De jongens worden voorgesteld; even wordt er verbaasd gereageerd, dan krijgen ze een hartelijk welkom te horen en een paar verraste blikken als de blonde jongen vertelt dat ze een tweeling zijn. Ze worden op een stoel gedrukt en meteen kruipt er een klein meisje bij de andere jongen, die met het geverfde haar, op schoot.
Ze is een jaar of vijf en het jongste kind in het gezelschap, een nichtje van de overledene. ‘Ik snap het niet,’ zegt ze beteuterd. ‘Komt ze nou nooit meer terug?’
Iedereen kijkt naar de jongen: wat zal hij zeggen? Zal hij haar de waarheid vertellen? Of houdt hij simpelweg zijn mond?
De jongen glimlacht lichtjes. ‘Natuurlijk komt ze terug,’ zegt hij zacht. ‘Elke lente weer.’
‘Hoe dan?’ vraagt het kleine meisje. Haar grote ogen zijn felblauw; ze lijken op die van het meisje in de kist.
‘Het eerste blauwe vlindertje dat je ziet, is zij,’ zegt de jongen en schudt zijn blauwe pony uit zijn gezicht.
Het meisje lijkt verheugd met dat antwoord. Ze klapt in haar handjes en vraagt enthousiast: ‘Zegt ze dan ook iets tegen me?’
‘Niet met woorden,’ antwoordt de jongen. ‘Maar als het vlindertje met haar vleugels klappert, bedoelt ze hallo.’
Opgelucht nestelt het meisje zich op zijn schoot en hij wisselt een verbaasde blik met zijn broer, die er met een half lachje naar zit te kijken. Zodra hun ogen elkaar vinden, wordt dat lachje echter breder. Zelfs de jongen met het geverfde haar krijgt een wat vrolijker blik.
Een tijdje blijft het doodstil rond de tafels. Geen onprettige stilte; het gevoel van rustig samenzijn is voor velen aangenamer dan hysterisch gebabbel. De man met zijn horloge gooit echter roet in het eten. Hij heeft geen boodschap aan stilte. Hij wil zijn schema afdraaien en dan naar huis. Meer niet.
‘Dames en heren!’ roept hij dus. ‘Het is tijd voor de kist.’
Alle dames en heren staan aarzelend op. Het kleine meisje pakt de hand van de jongen en kijkt vol vertrouwen naar hem op. Met een lichte frons zendt hij haar een glimlachje.
De oudste zus helpt haar vader overeind en dan begeeft de stoet zich naar buiten. Voorop lopen vier mannen met de houten kist. Het deksel ligt er nu op en het gevoel van definitief afscheid knijpt ieders ademhaling af. Slechts de man met zijn eeuwige horloge kijkt er onbewogen bij.
Met de lift wordt de kist in het pasgegraven graf gezet. Het meisje zal naast haar moeder rusten, haar moeder die twee weken eerder de wereld der levenden verliet. Precies zoals ze gevraagd heeft in haar laatste briefje.
De mensen strooien bloemen op het deksel, korenbloemen en lelies. Daarna blijven ze nog even staan, treurig, hun hoofden gebogen. Het duurt de man met zijn horloge veel te lang. Hij moet dat schema afmaken! Nu is het tijd voor een laatste kopje koffie, dan gaat iedereen naar huis en kunnen zijn werknemers het graf dichtplamuren. Pas daarna kan hij zelf weg, naar zijn pantoffels en zijn cavia.
Beleefd maar beslist loodst hij de familie van het meisje terug naar de kamer met de vanillekleurige vloer. Vijf mensen weigeren echter het open graf al te verlaten: de twee zussen, de twee broers en het kleine meisje. De man met het horloge probeert hen te overtuigen, maar na een waarschuwende blik van de oudste zus geeft hij het op.
Als hij terugloopt naar het gebouw, om zelf dan maar een kopje koffie te halen, hoort hij plotseling een stem achter zich. Hij draait zich om op de drempel en gelooft zijn ogen niet.
De jongen met het geverfde haar zit in kleermakerszit aan de voet van het graf. Tussen zijn vingers heeft hij een klaproos, een rode. Zijn ogen zijn gesloten en zijn lippen bewegen zachtjes. Hij zingt.
Kann nicht mehr sagen, wer ich bin
Hab die Erinnerung verloren
Die Bilder geben keinen Sinn
Bring mich zurück, bring mir nach Haus
Ich schaff's nicht allein hier raus
Komm und hilf mir fliegen
Leih mir deine Flügel
Ich tausch sie gegen die Welt
Gegen alles, was mich hält
Ich tausch die heute Nacht
Gegen alles, was ich hab
Erzähl mir alle Lügen
Mach es so, das ich es glaub
Sonst krieg ich keine Luft mehr
Und diese Stille macht mich taub
Nur graue Maueren und kein Licht
Alles hier ist ohne mich
Komm und hilf mir fliegen
Leih mir diene Flügel
Ich tausch sie gegen die Welt
Gegen alles, was mich hält
Ich tausch die heute Nacht
Ich find mich hier nicht wieder
Erkann mich selbst nicht mehr
Komm und zieh mich raus hier
Ich gib alles dafür her
Ich hab Fernweh
Ich will zurück
Entfern mich immer weiter
Mit Jedem Augenblick
Ich bin hier irgendwo gelandet...
Komm und hilf mir fliegen
Leih mir deine Flügel
Ich tausch sie gegen die Welt
Gegen alles, was mich hält
Ich tausch sie heute Nacht
Ich tausch sie heute Nacht
Gegen alles, was ich hab
Gegen alles, was ich hab...”
Bij de laatste woorden werpt hij de klaproos in het graf.
Even blijft het doodstil op de begraafplaats. De jongen heeft zijn ogen geopend, maar kijkt niemand aan. Dan, plotseling, schudt hij opnieuw zijn pony naar achteren en zegt zachtjes: ‘Wat vreemd... Ik weet nog steeds niet hoe ze heet.’
De jongste zus heft haar hoofd op. Over haar wangen lopen glitterende sporen van tranen. Ze opent haar mond en zegt het eerste woord in drie dagen. De naam van haar tweelingzus.
Reageer (7)
Mooi!
1 decennium geledenIk zit hier gewoon te wenen.
Je kunt echt prachtig schrijven
xX
wouwww !!
1 decennium geledenecht super mooi geschreven !!
ik kreeg gewoon tanen in mijn ogen..
xX