Diamanten Hart

Schrijfwedstrijd
waar·heid v -heden 1 het ware; overeenstemming van
woorden met feiten: antwoorden naar ~; iem de ~ zeggen waar
het op staat; 2 iets dat waar is
droom m dromen; -pje 1 gedachten, beelden die in de slaap
voor de geest komen; 2 fantastische toekomstbeelden: iem uit
de ~ helpen hem zijn vergissing laten inzien
woorden met feiten: antwoorden naar ~; iem de ~ zeggen waar
het op staat; 2 iets dat waar is
droom m dromen; -pje 1 gedachten, beelden die in de slaap
voor de geest komen; 2 fantastische toekomstbeelden: iem uit
de ~ helpen hem zijn vergissing laten inzien
De waarheid.
Wat is dat precies?
Iets wat waar is, het is een feit.
Maar wat is de waarheid, als een droom zoveel mooier kan zijn?
In een droom voel je geen pijn, geen verdriet, geen leegte in je hart.
Gevoelloos ben je.
Het is alleen de droom en jouw lichaam.
Wat zou jij kiezen? Leven in de realiteit met harde waarheid of in een droom waar je zelf de touwtjes in handen hebt?
Ik zou het wel weten als ik voor die beslissing stond. Leven in een droom, mijn eigen droom. Een droom zonder afscheid, zonder tranen die over mijn wangen hun weg naar beneden vinden, zonder pijn die mij vanbinnen kapot maakt.
Het kleine hartje aan mijn collier hou ik stevig in mijn handen, terwijl ik door de autoruit naar buiten staar, naar de huizen die voorbij flitsen. Groot, klein, modern, oud, vrijstaand of in een rijtje. Allemaal verschillend, maar geen één huis zou net zo knus, zo warm en zo vertrouwd zijn als het huis waar ik voorgoed afscheid van heb genomen, waar ik voor de laatste keer de donkerblauwe deur met het ijzeren geraamte erachter achter me sloot. Een onverwacht, definitief afscheid.
...
‘Hij voelt koud aan.’ zegt ze bezorgd, terwijl ze haar zachte, gerimpelde handen stevig om de handen van haar man, mijn opa klemt. Zachtjes wrijft ze met haar handen over de zijne, om voor haarzelf te geloven dat hij het zo warmer krijgt en zijn handen weer een normale temperatuur zullen aannemen, net zoals een levend mens, alleen is dat nu niet het geval. Uit haar lange donkergroene jaszak pakt ze een paar zwarte leren handschoenen, die ze voor ons vertrek hier naartoe heeft meegenomen, en legt ze op de handen van opa in de lichtbruine eiken kist.
Ze is haar steun en toeverlaten kwijt, verloren terwijl ze droomde. Haar beschermengel zal voortaan over haar waken, vanuit de heldere hemel en zijn ster zal schitteren als de mooiste diamant ooit.
...
Ergens, ergens op de aardbol zou ik willen zijn. Een plekje voor mij alleen, waar ik niks hoor, zelfs het lichte briesje dat de bladeren aan de bomen zachtjes laat ruisen, is verdwenen. Het enige wat ik op dit moment zou willen horen, is die stem. De zachte, lieve stem van oma, die zou zeggen: ‘Kom maar hier, kind.’ Maar ik heb haar stem in geen jaren meer gehoord. Slechts enkele, kostbare momenten wanneer ze lachte of een keer ‘ja’ zei. Haar armen die ze stevig om me heen zou slaan en met haar gerimpelde handen mijn gezicht zou vastpakken en de dikke tranen, die over mijn wangen biggelden met de toppen van haar duimen wegvegen. Maar ik voel geen pijn, geen verdriet, zelfs de tranen voel ik niet op wangen prikken.
Teder kijk ik naar moedereend, die gevolgd wordt door haar zes jongen, op weg naar het meer. ‘Kijk oma, weet je nog dat wij ooit eens we getretbeckt, terwijl het herfst was en het water ijskoud?’ Oma knikt glimlachend. ‘En wat dacht je van die urenlange wandelingen in de bossen? Toen we dachten dat we één uur zouden gaan wandelen, maar pas om zeven uur ’s avonds bij de auto terug waren.’ Weer zie ik het beeld van ruim acht jaar geleden weer voor mijn ogen. ‘Of die vele keren dat we bij het kaarten té hard op de tafel klopten en jij mopperde dan dat, dat niet mocht?’ Grijzend kijk ik oma aan. ‘Ja, maar dat hadden jullie niet van mij. Die gemene streken hadden jullie echt van opa.’
Na een lange tijd van de prachtige natuur genoten te hebben en nog meer herinneringen van vroeger te hebben opgehaald, sta ik op en klop de dorre blaadjes en het stof van mijn broek af. Daarna help ik oma overeind. 'Ik wil naar huis.’ zeg ik uit het niets, zonder dat ik erover nadacht. Oma knikt alleen maar en zwijgt verder. Geen glimlach of lieve blik. Dit is niks voor mijn oma. Ik ken haar niet anders, dan altijd met een glimlach op haar gezicht en haar blinkende groene pretoogjes. Dit nieuwe gezicht ken ik niet. Een koele, kille blik. Toch neem ik, tegen mijn geweten in, haar gerimpelde hand vast en loop vooruit.
Het bos is opeens verdwenen, terwijl ik nog geen vijf stappen heb gezet, vanaf de plek waar we gezeten hebben, in de richting van de weg, die leidt naar de stad. Opeens herken ik het speeltuintje, waar ik vroeger als achtjarig meisje in speelde samen met mijn broertje. ‘We zijn er bijna, oma.’ zeg ik enthousiast. Ik kan het niet geloven, geloven dat ik na ruim vijf jaar wachten, smeken en huilen eindelijk weer op de plek kom, waar ik dacht dat ik definitief afscheid van had genomen. ‘We zijn thuis, oma.’ Steeds ga ik sneller lopen, met oma nog steeds stevig aan mijn hand vast. De bocht zijn we om, bij huisnummer 49. Dat betekent nog vier huizen en dan zijn we er. Ik kan het niet meer aan en begin te rennen. Steeds sneller, totdat ik weer voor de donkerblauwe voordeur sta. ‘Oma, we zijn thuis!’ roep ik blij en bestudeer elk detail van de voorgevel, waar ik vroeger nooit op gelet had. Mijn hoofd draai ik een kwartslag om te zien waar oma is gebleven. Alleen zie ik oma nergens meer. ‘Oma?’ fluister ik bang, maar realiseer me dan dat oma me zo niet kan horen. ‘Oma?’ roep ik harder, maar ik krijg geen reactie. Snel kijk ik de straat over, maar nergens zie ik een spoor van oma. ‘Oma!’ schreeuw ik. ‘Waar ben je?’ Voor het eerst sinds dat ik oma weer gezien heb, voel ik weer een dikke traan over mijn wang glijden, nog één en nog één. Te verward om helder te denken, loop ik in de richting waar we vandaan kwamen, in de hoop dat oma daar om het hoekje staat.
Maar zoals altijd is de waarheid harder dan de illusie, want oma is er niet. De honderdste traan sijpelt over mijn wang en volgt zijn weg naar beneden, waar hij op de grijze stoeptegel in duizend kleine stukjes spat. Met mijn vingertoppen wrijf ik het traanvocht uit mijn ogen, maar zo snel ik het heb weggeveegd, zo snel is het er weer. Opeens zie ik iets glinsteren in het zonlicht, bij mijn voeten. Wanneer ik buk, zie ik dat het mijn collier is, maar er is iets vreemds aan. Het is geen één hartje wat eraan hangt, maar twee. Als ik de hartjes goed bestudeer, zie ik dat er bij beide hartjes midden in de kern een klein diamantje zit.
Vanaf nu zullen opa en oma, de twee mooiste, schitterendste diamanten uit mijn leven hoog aan de hemel, over mij waken.
Op een dag zal ik daar zijn, bij hen. Ze eindelijk weer in mijn armen kunnen sluiten.
‘Aaah!!!’ schreeuw ik de longen uit mijn lijf. Verstijfd zit ik rechtop in mijn bed. Door de gehele spanning kan ik geen enkele spier bewegen. Alleen zie ik het maanlicht dat door de gordijnen schijnt. Na een minuut besef ik pas wat ik gedroomd heb en komt de eerste traan weer tevoorschijn. Nu pas voel ik de stekende pijn in mijn hart, het verdriet en de leegte. ‘Ik mis jullie…’ snik ik, terwijl ik de hartjes van mijn collier stevig vastpak. Nu realiseer ik me weer, hoe hard de waarheid eigenlijk is.
Was dit allemaal maar een droom, maar waarom kan niemand me vertellen dat ik dit alles heb gedroomd?
Reageer (6)
Zoals ik al eens eerder heb gezegd. Ik vind deze SA echt mooi én prachtig verwoord. Je hebt écht een prachtige SA geschreven, Esmée. De gevoelens dat je erin heb gestoken, kan je als lezer ook echt voelen. Tenminste ik voelde het wel
Het zal vast moeilijk voor je zijn geweest om het te schrijven, maar ik ben écht trots dat je het hebt gedaan. Het resultaat is zoals ik net al zei prachtig

1 decennium geledenIk hoop écht dat je die schrijfwedstrijd wint! Je hebt het echt verdient.
xxx Ashley