Foto: Willow Shields als Daphne (op latere leeftijd ;3)

Als ik deze keer wakker wordt zit er niemand op mijn bed. Zodra er een verpleegster mijn kamer voorbij loopt roep ik haar.
‘Is Isa er niet?’ vraag ik.
‘Isa?’
‘Mijn… mijn zus.’
‘Oh, ze is gisteren geweest, maar toen sliep je.’
‘Niet.’
‘Je hebt gisteren de hele dag slapen. Dat ligt aan je hersenschudding.’
‘Dus de vorige keer dat ze me iets vertelde was eergisteren?’
‘Ja.’ Dan piept er een kastje op haar heup. De verpleegster drukt op een knop, knikt naar me en loopt weg.
Dus ik heb gewoon meer dan een dag geslapen. Ik staar naar het plafond, tot ik iemand binnen hoor komen. Zoals ik al hoopte is het Isa.
‘Dag slaapkop,’ zegt ze met een grijns.
‘Hoi,’ antwoordt ik. ‘Heb ik gisteren echt de hele dag geslapen?’ vraag ik.
‘De hele dag,’ zegt Isa met een nog grotere grijns.
‘O,’ is het enige wat ik zeg. Het blijft een tijdje stil. ‘Vertel je nu verder?’ vraag ik dan. En dat doet Isa.

‘Toen je vier was geworden ging je naar de basisschool. Mama bracht je weg, maar die had zich verslapen dus we waren al heel laat. Ik was al weg, want ik was toen acht en mocht al zelf naar school. Toen je nog net op tijd de klas binnenkwam, was er nog maar een stoeltje vrij, naast Daphne. Je had geen andere keus dan daar te gaan zitten, dus je werd letterlijk aan haar gekoppeld. Niet dat dat erg was, want jullie waren vanaf het eerste moment onafscheidelijk. In de pauzes speelden jullie samen, in de klas maakten jullie alle werkstukjes samen, en aangezien ze maar een paar straten van ons vandaan woonde fietsten jullie samen naar school van huis en weer terug.
Na ongeveer een maand kwam Daphne bij ons thuis spelen. En aangezien wij een soort van ongeluksfamilie zijn of zo kon dat natuurlijk niet goed gaan. Mama had net gepoetst en had voor de verandering ook eens een keertje de trap in de was gezet. En dat is superglad spul. Jij had je schoenen nog aan, dus dat scheelde. Maar Daphne was op haar sokken en die gleed uit. Het zag ernaar uit dat het goed ging, maar natuurlijk, net op de bovenste tree moest het misgaan… Ze gleed uit en sloeg achterover. Eenmaal naar beneden gestuiterd was ze bewusteloos geraakt. Ik zag het gebeuren en riep mama, die onmiddellijk de 112 belde.
En zo stond twintig minuten later voor de zoveelste keer een ambulance voor de deur. Ondertussen had mama Daphnes ouders ook gebeld, en die gingen mee met de ambulance. Wij bleven verdoofd achter. Jij huilde, want je dacht dat het jouw schuld was. Vier jaar, en toen al zo’n schuldgevoel. Je dacht dat je vervloekt was, want voordat jij geboren was gebeurde er niets, en toen jij geboren was begon de ellende. Je vernauwingen in je luchtwegen, de val uit de schommel, het stikken waardoor je zelfs een tijdje dood was, daarna het sterven van opa en nu dit… Mama en ik hebben je uit alle macht geprobeerd te kalmeren, uit angst dat je weer zou gaan stikken. Gelukkig gebeurde dat niet.
Later die middag ben je met mama naar het ziekenhuis gereden om Daphne te bezoeken, maar eenmaal daar hield de dokter jullie tegen. Jullie mochten niet bij Daphne in de kamer vanwege haar kritieke toestand. Jij werd helemaal hysterisch, want je dacht dat het jouw schuld was, dat je Daphne vervloekt had en je wilde haar zeggen dat het je speet. Maar je mocht niet naar binnen. Gelukkig bleek het allemaal mee te vallen en mocht Daphne na twee weken met een hersenschudding naar huis.
Na een maand was ze weer op school, en jij was ontzettend bang dat ze niet meer met je wilde spelen omdat je vervloekt was. Maar Daphne was gewoon weer de oude en ze nam het je niet eens kwalijk. Maar ja, ze was vier, ze wist niet beter.
Halverwege het jaar kwam er een nieuwe jongen bij jullie in de klas, Finn. Hij was een jongen die anders was dan andere jongens. Hij speelde niet met de bouwblokken of met autootjes in de klas, maar hij speelde dan ook weet niet met de meisjes mee hoor. Nee, als de jongens de bouwhoek ingingen en de meisjes naar de poppenhoek, dan pakte Finn een boekje uit de kast en ging lezen. Of hij ging tekenen. Daardoor werd hij niet bepaald in een groepje opgenomen. Jij en Daphne ook niet trouwens. Jullie speelden dan wel in de poppenhoek zoals andere meisjes, maar jullie speelden altijd met z’n tweeën. Jullie wilden wel met andere meisjes spelen, maar die zagen wel dat jullie zo close waren en dat ze er dan toch een beetje buiten zouden vallen. Dus lieten ze jullie maar gewoon meteen vallen door vaak niet te reageren op jullie verzoeken om samen te spelen. Dus speelden jullie ook gewoon samen. Maar Finn kende jullie niet, hij wist niet hoe close jullie waren. Dus vroeg hij wel of jullie mee gingen tekenen bijvoorbeeld. En omdat jullie zelf nooit gevraagd werden en altijd afgewezen werden, deden jullie natuurlijk maar al te graag mee. En jullie werden nog beste vrienden met z’n drieën ook! Sterker nog, jullie werden superclose! Tegen iedereens verwachtingen in, want dat was de reden waarom jullie altijd werden afgewezen. Door jullie closeness.
Maar de eerste keer met zijn drieën afspreken deden jullie bij Finn thuis, voor het geval dat. Je wilde jezelf er zelfs nog onderuit praten door allerlei smoezen op te hangen, bang dat er iets zou gebeuren. “Ik heb niet zo’n zin, ik ga liever tekenen,” zei je dan.
“Wat maakt dat uit?” vroeg Finn, “wij hebben thuis ook tekenspullen.
“Net zo’n fijne als wij thuis?” vroeg je.
“Weet ik niet,” antwoordde Finn.
“Zolang je ermee kunt tekenen is het toch goed?” voegde Daphne er dan met een grijns aan toe. En zo hadden ze altijd wel een weerwoord, waardoor je uiteindelijk toch meeging. En tot jouw grote verbazing ging alles goed. Niemand viel van de trap, niemand kreeg een hartaanval, niets. Dus om vijf uur, toen mama je op kwam halen, moest ze je letterlijk meesleuren. Je was een paar keer bij Daphne geweest, maar dan was je altijd bang dat er weer iets met haar zou gebeuren. Zij was tenslotte van onze trap gedonderd. Je sprak daarom al altijd bij haar thuis af. Maar dit keer was het bij Finn, en daar was je nog nooit geweest. Bovendien was hij nieuw, en hij was nog nooit bij ons thuis geweest. Grote kans dus dat hij niet vervloekt was. En aangezien er niets gebeurd was toen je werd opgehaald wilde je natuurlijk niet mee. Je was blij dat je eindelijk gewoon kon spelen, zonder stress en spanning, omdat je zeker wist dat er iets ging gebeuren.
Maar de volgende dag was Finn niet op school en jij dacht natuurlijk meteen dat je hem toch vervloekt had. Je kreeg een paniekaanval en mam kwam onmiddellijk naar school. Ik was toen al uit de klas gehaald, omdat jouw juf wist dat ik een van de weinige mensen was die jou weer rustig kon krijgen, naast pap en mam. Mam nam je mee naar huis en belde daar de moeder van Finn op, toen jij vertelde waarom je die aanval kreeg. Maar gelukkig was er niets ergs. Gewoon een griepje, zei Finns moeder. Toch begon jij je wel enorme zorgen te maken toen Finn na twee weken nog niet op school was. Je ging bij hem langs, en ik ging mee. We schrokken ons helemaal te pletter, want Finn zag eruit als een levende dode, zo wit was hij. Ik moest meteen weer aan opa denken, die toen ongeveer een jaar dood was, dus ik rende de kamer uit. Op de gang hoorde ik jou en Finn praten.
“Jij ziet wit,” zei je zachtjes.
“Ja,” antwoordde Finn.
“Waarom?” vroeg jij.
“Omdat ik ziek ben.”
“Wat heb jij?”
Uit het daaropvolgende antwoord konden wij toen nog niets opmaken, daar hadden we nog nooit van gehoord. Dat woord, waarvan ik, en jij eigenlijk ook, de vreselijke betekenis nu wel weet. “Kanker,” zei Finn.
“Kanker?” vroeg jij.
“Jup,” zei Finn zachtjes, “kanker.”
“Wat is dat?”
“Een paar bouwsteentjes in mijn lichaam zijn boos op de andere bouwsteentjes. En daarom gaan de boze bouwsteentjes de goede bouwsteentjes kapotmaken.”
“Dus eigenlijk maken ze jou kapot?” zei jij zacht.
“Ja.”
“En als alle boze bouwsteentjes alle goede bouwsteentjes kapot maken?” vroeg jij met een iel stemmetje.
“Dan ga ik dood,” zei Finn, “Dat heeft de dokter me zelf verteld.”
Ik moest zachtjes huilen op de gang, niet omdat ik niet wilde dat Finn doodging, of nou ja… dat ook, maar vooral omdat ik door opa wist wat de dood inhield. En Finn was een van je beste vrienden. Als hij dood zou gaan, zou je hem nooit meer terug krijgen. Dat wist ik, maar jij wist het niet. En ik wilde je ertegen beschermen. Van opa’s dood had je niets gemerkt, maar hiermee zou je meteen de volle laag verdriet krijgen. En ik wist dat je dat niet aan zou kunnen. Nooit.
Na dit bezoek ging je elke dag op bezoek bij Finn, met schuldgevoel. Met een gevoel van ‘zie je nou wel, ik heb je vervloekt, het is mijn schuld dat je kanker hebt!’ Maar je bleef gaan, elke dag. En je zag hoe Finn langzaamaan beter werd. En toen was daar jouw vijfde verjaardag. Je had voor je kinderfeestje alleen Daphne en Finn uitgenodigd, want ja, wie moest je anders nog meer uitnodigen? Finn kwam wel later, hij had eerst nog een afspraak met de kinderarts in het ziekenhuis.
Uitgelaten huppelde hij een uur na het begin van jouw feestje door de poort.
“Ik ben clien!” schreeuwde hij.
“Clien?” herhaalden jij en Daphne tegelijk.
“Clean,” verduidelijkte mam.
“Clean?” herhaalde jij nog een keer.
“Alle boze bouwsteentjes zijn uit mijn lijf,” zei Finn met een lach.
“Dus je gaat niet meer dood?” vroeg jij.
“Nee, tenzij er weer een paar bouwsteentjes boos worden, dan ga ik wel dood.”
“Tenzij er meer dan vijf jaar tussen zit,” vervolgde mam.
“Ja,” zei Finn, “maar als ik voor die vijf jaar weer boze bouwstenen heb ga ik wel dood.”
“Dan vind ik dat jij geen boze bouwstenen meer hebt,” zei jij.
“Dat vind ik ook,” stemde Daphne in.
Nadat Finn een stukje taart had gegeten gingen jullie naar de speeltuin, een kwartiertje rijden van ons vandaan. Ik mocht ook mee. In de auto zag ik al meteen dat jij hem ontzettend kneep, bang voor een ander ongeval.’

Het hele verhaal duizelt me. Is dit allemaal echt gebeurd? Moet ik Isa geloven? Stel dat zij niet eens mijn zus is en ze me zomaar wat voorliegt. Ik bedoel, ik heb geheugenverlies. Ik weet niets meer. Ze kunnen me zomaar wat voorleggen en zeggen dat het de waarheid is. Maar op de een of andere manier voel ik dat het klopt wat Isa zegt. Ik heb alleen bewijs nodig, ik weet het niet, het is te ingewikkeld.

‘Luister je nog?’ vraagt Isa. Ik antwoordt niet, het wordt me allemaal te veel. Allerlei gedachten malen door mijn hoofd. Zo snel, dat ik ze niet kan volgen. Klopt dit? Is dit allemaal waar? Hoe kom ik erachter of dit waar is of niet?

En dan val ik flauw.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen