Foto bij 3

foto: Meryl Streep (in The Devil Wears Prada) als Julia's oma.

Ik zit op een schommel. Ik schommel hoog, heel hoog. Recht voor me is de zon, daar wil ik naartoe. Ik probeer het zo hard, maar het lukt me niet. De schommel glijdt onder me vandaan en ik val…
En val…
En val…
Tot ik met een klap op de grond kom. Alle lucht wordt uit mijn longen geperst, en het wordt zwart voor mijn ogen.

Kan ik ademen? Ja, ik kan ademen. Ik leef dus nog. Of… Of lijkt dat maar? Ik kan mijn ogen niet openen, is dat het bewijs dat ik dood ben? Ik kan niets bewegen. Dood dus. Ik accepteer het maar.

Ik ben onder water. Boven me zie ik een vaag gezicht, vervormd door het water. Ik zwem naar boven. Bijna, bijna, bijna boven…

Als ik wakker wordt zit Isa weer op mijn bed.
‘Ik vertel het je nog steeds niet, dat komt nog wel,’ zegt ze.
‘Wat?’ vraag ik, ‘wat vertel je niet?’
‘Waarom mam nu in Australië woont.’
‘Maar…’
‘Dat komt nog wel,’ herhaalt Isa, ‘wil je nu de rest van het verhaal horen?’
‘Ja.’
‘Oké.’ En Isa vertelt verder.

‘Nou, doordat je met me mee aan het huilen was, was je dus gestikt. In de ambulance was je overleden, maar net toen de dokters dachten dat het reanimeren niets uithaalde, klopte je hartje weer. Je moest dan wel in coma gehouden worden, zodat je niets zou doen wat je luchtwegen nog verder zou beschadigen dan dat ze al waren door het stikken. Uiteindelijk lag je vier maanden in coma, zoveel behandelingen moest je hebben, en van geen van allen mocht je iets merken, want je was pas twee jaar oud en dan zou je waarschijnlijk schrikken, wild gaan doen en je luchtwegen beschadigen. Maar na een paar maanden in coma gelegen te hebben ging alles gelukkig goed. Toen je net drie jaar was gebeurde weer ongeveer hetzelfde als op je tweede verjaardag.
Ondertussen logeerde ik natuurlijk weer bij opa en oma, zoals gewoonlijk als jij in het ziekenhuis lag.
Opa voelde zich al een tijdje zwak en ziekjes en lag hele dagen in bed of op de bank, terwijl oma hem verzorgde. Daardoor kreeg ik ook niet alle aandacht die ik nodig had. Ik wilde ravotten in de tuin met opa en koekjes bakken met oma, niet toekijken hoe opa lijkbleek op de bank lag en oma hem kopjes thee en zo bracht. Daarbij voelde ik me ook nog eens schuldig over jou, want ik, toen zeven jaar, had jou laten stikken. Tenminste, dat vond ik. Want IK was nota bene begonnen met huilen, waardoor jij mee ging doen en stikte. Soms voelde ik me daar ’s avonds in bed zo ontzettend lullig over dat ik spontaan moest huilen. Normaal als ik huilde in bed kwam opa of oma dan naar boven, maar opa had het veel te druk met ziek zijn en oma had het te druk met hem bedienen. En dus sloot ik mezelf van hen af. Ik sprak bijna niet meer met ze, speelde voortaan alleen en kropte al mijn gevoelens op. Niemand die het merkte.
Zoals ik al zei waren opa en oma te druk met vooral opa, jij was pas drie en zou dat niet snappen. Bovendien lag je in het ziekenhuis – ook een rede waarom ik alleen speelde, normaal speelden we altijd samen – en pap en mam waren voortdurend bij jou. In die drie maanden heb ik hen denk ik drie of vier keer gezien.
Maar toen, op de dag precies twee maanden nadat je stikte, en dus ook op de dag dat je precies twee maanden in coma lag, kreeg opa een hartaanval. Ik zag het nog gebeuren ook. Ik was met een paar poppen aan het spelen in de woonkamer bij opa. Ik was super enthousiast, want opa had me zelf gevraagd of ik een verhaaltje voor hem wilde spelen. Dus ging ik helemaal op in mijn spel. Ik merkte niet eens dat hij op een gegeven moment bloed op ging hoesten, dat zag ik pas toen hij ook nog helemaal begon te schokken. Zijn ogen draaiden op een rare manier weg, en ik begon te gillen. Oma kwam aangerend, wierp een halve blik op opa en graaide de telefoon van de kast. Abrupt drukte ze het nummer van de 112 in. Ik had mezelf verscholen achter opa’s grote stoel, waar hij vroeger altijd in zat. Ik was te geschrokken om te huilen.
Na een kwartier kwam de ambulance en de ambulancebroeders stormden naar binnen. Ik zat nog steeds achter de stoel en keek hoe ze een nog steeds schokkende opa met veel moeite op de brancard hesen. Oma huilde. Ze kon natuurlijk ook niet mee met de ambulance, want dan bleef ik alleen achter. En stel dat er ook wat met mij zou gebeuren… Ik was pas zeven. Bovendien was ik ook half in shock. Dus bleef oma bij mij. Ze had met de ambulancebroeders afgesproken dat zodra ik – en oma zelf eigenlijk ook – weer enigszins gekalmeerd waren, we met de auto naar het ziekenhuis zouden rijden. Dat kalmeren duurde uiteindelijk drie kwartier. Vooral bij mij, ik snapte niet wat er aan de hand was.
Eenmaal in de auto moesten we dus twintig minuten naar het ziekenhuis rijden. Toen we er bijna waren werd oma gebeld. Door opa’s kritieke toestand kon hij niet in het ziekenhuis hier in Eindhoven terecht, en moest naar het ziekenhuis in Utrecht. Drie keer raden wie daar ook lag.’
‘Ik?’ vraag ik.
‘Juist, jij. Jullie lagen ook nog eens op dezelfde verdieping. Jij in de linkervleugel, opa in de rechter. En ook nog eens allebei op de kamer naast de haldeuren, dus jullie hadden praktisch de kamers naast elkaar, maar dan op een andere afdeling, gescheiden door een heleboel deuren.
Ondertussen hadden ze opa, die op was gehouden met schokken maar wel bewusteloos was, onderzocht. Hij had een epileptische aanval gehad. Of hij daar al eerder last van had gehad? Maar dat hadden ze niet. Dus moesten ze verder onderzoeken wat er nou eigenlijk met hem aan de hand was. Niets gevonden natuurlijk. Toen ze klaar waren met het onderzoek was het al half acht ’s avonds. Oma en ik zijn naar het dichtstbijzijnde hotel gegaan. We hadden niets bij ons, dus we moesten in ons ondergoed slapen. De volgende dag zouden we wel wat spullen ophalen, want het zag ernaar uit dat opa wel langer moest blijven. En dan wilde oma natuurlijk in de buurt zijn. Maar lang hoefden we natuurlijk niet te blijven, en spullen ophalen hoefde al helemaal niet. Want we hebben het hier wel mooi over onze familie. ’s Morgens vroeg om kwart over zes werden oma en ik al wakker van oma’s mobiele beltoon. Opa was overleden aan een hartstilstand. Dus zaten oma en ik drie minuten later al in de auto op weg naar het ziekenhuis. Ik ben in eerste instantie buiten opa’s kamer blijven staan, ik durfde niet naar binnen.
“Ga dan even bij Julia kijken,” stelde oma voor, “ze ligt toch maar tien meter verderop.” Maar ook dat durfde ik niet. Jij mocht dan niet dood zijn, maar je had wel slangetjes. En nog steeds had ik het gevoel dat je door mijn schuld in coma lag. Uiteindelijk ben ik toch bij opa naar binnen gegaan, al duurde dat bijna een uur. En zo eng zag hij er eigenlijk niet uit. Hij was heel wit en koud, dat wel. Je zag dat er geen leven meer in zat, dat zag zelfs ik als zevenjarige. Het leek wel een soort omhulsel, een pop. Eenzelfde pop als waar ik de vorige middag nog mee had gespeeld, maar dan levensgroot. Na een tijdje durfde ik opa zelfs aan te raken.
“Plastic…” had ik voorzichtig gezegd.
“Ja...” zei oma zachtjes terug.
Even later kwamen ook papa en mama kijken. Mama begon meteen te huilen, want het was natuurlijk haar vader. Oma moest daardoor ook huilen en papa troostte hen allebei met tranen in zijn ogen. Ik kon er niet meer tegen en ben toen weggelopen.
Vijf dagen later was de begrafenis. Mama was alleen gekomen, want papa moest bij jou blijven. Omdat opa en oma niets hadden met de kerk, werd de ceremonie gehouden in een buurthuis. Aan twee kanten stonden rijen met banken, daartussen een gangpad. Vooraan was een laag podiumpje met een microfoon erop. Voor het podiumpje, in het midden tegenover het gangpad stond opa’s kist, met prachtige rode rozen erop, zijn lievelingsbloemen. Oma had me gevraagd om een gedichtje voor te lezen. En dat deed ik.
Ik heb vannacht een ster uitgezocht
voor mijn opa die moest gaan
Een ster voor iemand zo bijzonder
dat hij eigenlijk alleen moest staan
Nu kijk ik naar de sterren
en huil ik naar de maan
Dan straalt daar weer die éne ster
dus is mijn opa eigenlijk nooit weggegaan

Dat gedicht ben ik daarna nooit meer vergeten.
Na de ceremonie van anderhalf uur waarbij iedereen huilde gingen we naar de begraafplaats. Daar was ik enigszins blij om, want met allemaal huilende mensen in een kleine ruimte trok ik niet. Ik wilde de hele tijd de zaal uit tijdens de ceremonie en was dus ook blij toen dat eindelijk kon.
Op de begraafplaats was het gat waar opa’s kist in ging al gegraven.
“Wat diep,” zei ik, “gaat opa daar echt in?”
Oma knikte. “Ja schat, daar gaat opa echt in.”
“En hij komt er dan ook nooit meer uit?”
“Nee. Opa komt er nooit meer uit. Dat kan opa niet meer, opa is dood.”
En toen moest ik ook huilen, want toen besefte ik pas wat dood eigenlijk betekende. De dood is definitief. Ik dacht dat opa wel weer terug zou komen, maar nu realiseerde ik me dus dat dat niet zo zou zijn. Opa kwam niet terug. En hij zal ook nooit terugkomen.
Daarna werd opa’s kist langzaam het graf in gehesen. Oma duwde de rozen in mijn handen.
“Gooi ze maar op de kist,” zei ze.
“Waarom?”
“Dan heeft opa toch nog iets moois daar beneden.”
“Maar opa is toch dood? Dan ziet hij dat toch niet?”
“Misschien,” zei oma, “is opa nu wel een sterretje geworden aan de hemel, en ziet hij dat jij de bloemen nu bij zijn kist legt. En dan denkt hij: wat een lieve kleindochter heb ik toch.” En dus gooide ik de bloemen erop. Daarna mocht iedereen om de beurt met een schep de aarde terug op de kist gooien. Ik was als eerste. En langzaam verdween opa’s kist verder onder de aarde, tot je de kist niet meer kon zien en het graf dicht was. Zo definitief als de dood zelf.
Ongeveer een maand later kwam jij uit je coma. En het eerste wat je zei was “Isa.” Maar mama drukte op de rode knop naast je bed en vrijwel meteen kwam er een verpleger binnen die jou meenam voor onderzoek, zoals de dokters hadden gezegd. Zodra jij uit je coma was kreeg je onderzoek.
Maar na een uurtje was je terug. Alles was goed en je hoefde nog maar een weekje in het ziekenhuis te blijven voor nazorg. Maar deze keer was er geen ‘Welkom Thuis Julia-feestje’. Daar had oma de energie niet voor na opa’s dood. Ze was er kapot van. Maar wonder boven wonder ging het wel heel lang goed met jou. Gelukkig.’
‘En verder?’ vraag ik, ‘hoezo ging het wel heel lang goed met mij? Wat was er daarna dan?’
‘Dat vertel ik morgen, het bezoekuur is bijna voorbij. Je bent vast moe.’
‘Ik ben niet…’
‘Juul, ga nou niet weer zo doordrammen als gisteren, je weet wat er toen gebeurde.’ Ik begrijp wat ze bedoelt. De slaapmedicijnen, kalmeringsmiddelen, bewusteloosheid en de nachtmerries. Dus het enige wat ik zeg is een simpele ‘oké.’
‘Ga maar slapen, morgen vertel ik verder.’
Isa glimlacht naar me en ik glimlach zwak terug. Isa heeft gelijk, ik ben moe. Zodra Isa de deur achter zich sluit en ik haar hakken in de gang steeds zachter en verder weg hoor tikken als ze wegloopt, val ik in slaap.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen