I lie and wait with open eyes

Het lijkt alsof ik in een nooit eindigende draaikolk zit. Ik word heen en weer gezwierd in een zwarte stroom. Is dit een zwart gat of houden mijn gedachten me voor de gek? Is dit doodgaan?
Het blijft de hele tijd even donker. Het is een constante. Net zoals de kracht die me in het onzekere blijft zwieren. Het lijkt alsof je in een attractie zit op de kermis. Zoals theekopjes, die blijven maar draaien, draaien en draaien. Een betere vergelijking vind ik dat mijn situatie lijkt alsof ik op een klein bootje zit op een woeste zee. De golven zijn gevaarlijk hoog en mijn enige bescherming is dat kleine bootje. Deze zee kan me op ieder ogenblik verslinden.
Ik voel me tijdloos. Ergens denk ik dat er ondertussen nog maar twee seconden zijn voorbijgegaan, maar anderzijds lijkt het alsof ik hier al eeuwen ben. Dit moment is anders. Ik voel verandering aan. Het ziet er naar uit dat het weer op zee begint op te klaren terwijl de zee zelf gaat slapen. Het licht keert terug. Ik voel een lichte druk op me, maar al snel wordt deze harder. Alsof er duizenden mensen op mij staan te wachten terwijl ik geen stap vooruit gezet krijg. Of dat ik op school aankom en ben vergeten te leren voor een enorm belangrijk examen. De druk wordt zo groot dat het lijkt dat ik ga openbarsten. Ik voel het razen door mijn aderen. Het zwieren is opgehouden, maar ik kan me niet bewegen. Het licht doet pijn aan mijn ogen. Ik sluit mijn ogen, maar dat helpt niet veel. De druk op me is zich verder aan het opwaarderen. Ik denk dat ik ga bezwijken onder deze druk.
Mijn ogen schieten open. Ik ben in een totaal andere situatie. De druk is verdwenen, maar mijn lichaam voelt nog steeds onbeweeglijk aan. Het felle licht is omgeruild voor het gewone licht. Ik kwam uit een zwarte draaikolk, maar ik ben nu beland in een ziekenhuisomgeving. De typische ziekenhuisgeur dringt mijn neus binnen. Ik wil rechtop gaan zitten, maar het lukt me niet. Lichtelijk in paniek probeer ik toch enige beweging in mijn lichaam te krijgen, tevergeefs. Het liefst wil ik het uitschreeuwen, maar ook mijn mond is onbeweeglijk. Noch mijn stembanden willen hun werk doen. Ik zit vast. Alsof ik aan mijn bed ben vastgenageld.
Iemand komt over me hangen, een verpleegster. Ze controleert enkele draadjes. De draadjes leiden tot een grote bron. Eigenlijk twee bronnen. De ene is een kapstok met enkele infusen aan. De andere bron is een machine. Voor het eerst valt me pas het geluid op. De machine piept, maar ik hoor nog zovele achtergrondgeluiden die ik niet kan plaatsen. Ik let terug op de verpleegster. Ik kijk haar recht in de ogen aan, maar het deert haar niets. Alsof ze het niet heeft gezien, maar ik kijk haar overduidelijk aan. Dit kan niet. Negeert ze mij? Blijkbaar is ze klaar met controleren. Ze schrijft wat op en draait zich om en weg is ze. Wat moet ik nu doen? Ik kan niets anders doen dan wachten.
Het blijft de hele tijd even donker. Het is een constante. Net zoals de kracht die me in het onzekere blijft zwieren. Het lijkt alsof je in een attractie zit op de kermis. Zoals theekopjes, die blijven maar draaien, draaien en draaien. Een betere vergelijking vind ik dat mijn situatie lijkt alsof ik op een klein bootje zit op een woeste zee. De golven zijn gevaarlijk hoog en mijn enige bescherming is dat kleine bootje. Deze zee kan me op ieder ogenblik verslinden.
Ik voel me tijdloos. Ergens denk ik dat er ondertussen nog maar twee seconden zijn voorbijgegaan, maar anderzijds lijkt het alsof ik hier al eeuwen ben. Dit moment is anders. Ik voel verandering aan. Het ziet er naar uit dat het weer op zee begint op te klaren terwijl de zee zelf gaat slapen. Het licht keert terug. Ik voel een lichte druk op me, maar al snel wordt deze harder. Alsof er duizenden mensen op mij staan te wachten terwijl ik geen stap vooruit gezet krijg. Of dat ik op school aankom en ben vergeten te leren voor een enorm belangrijk examen. De druk wordt zo groot dat het lijkt dat ik ga openbarsten. Ik voel het razen door mijn aderen. Het zwieren is opgehouden, maar ik kan me niet bewegen. Het licht doet pijn aan mijn ogen. Ik sluit mijn ogen, maar dat helpt niet veel. De druk op me is zich verder aan het opwaarderen. Ik denk dat ik ga bezwijken onder deze druk.
Mijn ogen schieten open. Ik ben in een totaal andere situatie. De druk is verdwenen, maar mijn lichaam voelt nog steeds onbeweeglijk aan. Het felle licht is omgeruild voor het gewone licht. Ik kwam uit een zwarte draaikolk, maar ik ben nu beland in een ziekenhuisomgeving. De typische ziekenhuisgeur dringt mijn neus binnen. Ik wil rechtop gaan zitten, maar het lukt me niet. Lichtelijk in paniek probeer ik toch enige beweging in mijn lichaam te krijgen, tevergeefs. Het liefst wil ik het uitschreeuwen, maar ook mijn mond is onbeweeglijk. Noch mijn stembanden willen hun werk doen. Ik zit vast. Alsof ik aan mijn bed ben vastgenageld.
Iemand komt over me hangen, een verpleegster. Ze controleert enkele draadjes. De draadjes leiden tot een grote bron. Eigenlijk twee bronnen. De ene is een kapstok met enkele infusen aan. De andere bron is een machine. Voor het eerst valt me pas het geluid op. De machine piept, maar ik hoor nog zovele achtergrondgeluiden die ik niet kan plaatsen. Ik let terug op de verpleegster. Ik kijk haar recht in de ogen aan, maar het deert haar niets. Alsof ze het niet heeft gezien, maar ik kijk haar overduidelijk aan. Dit kan niet. Negeert ze mij? Blijkbaar is ze klaar met controleren. Ze schrijft wat op en draait zich om en weg is ze. Wat moet ik nu doen? Ik kan niets anders doen dan wachten.
Er zijn nog geen reacties.