Chapitre 30
Ik sta op een balkon, en kijk zo uit over een groot plein. Het is heel druk. Ik kijk naar een verhoging. Daar staat de guilliotine. Vandaag gaat het gebeuren. Vandaag wordt Lodewijk geëxcuteerd. Ik sluit mijn ogen en adem een paar keer diep in en uit. Mijn hart klopt in mjn keel. Dit moet een nachtmerrie zijn. Maar mijn vader was duidelijk. Lodewijk is te ver gegaan. Veel te ver. Ik ga hem dadelijk nog even bezoeken, in zijn cel. Marie en de kinderen hoef ik niet meer te zien. We hebben ons over hun oudste dochter ontfermd. Ze is een jaartje jonger dan Peter. Ze komt dadelijk met ons mee, nog even terug naar het hotel. Of ik naar de executie ga kijken? Ik denk het wel. Ik wil hem nog een keer zien. Mijn vader moet weten dat ik sterk ben. 'Sophie?' Ik draai me om. Sergei staat bij de deur. 'Ben je er klaar voor?' Ik ben even stil. 'Ja,' zeg ik dan. 'Kom maar, de koets staat beneden al te wachten.' Ik pak zijn hand en we lopen naar beneden.
We komen aan bij de gevangenis. Er loopt een rilling over mijn rug. Hier zijn we dan. 'Het is goed, ik ben bij je,' zegt Sergei. Ik knik en loop samen met hem naar binnen. Zodra we binnen zijn, gaan de gigantische poorten weer dicht. Ik kijk even achter me. Dadelijk zitten we hier opgesloten. 'Wat kan ik voor u doen?' vraagt een stem. Ik draai me om. Een potige kerel staat voor ons. Aan zijn riem hangt een sleutelbos, en in zijn handen heeft hij een knuppel. 'We komen voor de koning,' zegt Sergei. 'Ah, burger Louis Capet! Komt u maar mee, Hoogheid. Hij verblijft in onze beste vertrekken. Hij geniet van onze beste zorg.' We lopen achter de man aan, een trap op. Heeft hij nou serieus Lodewijk een burger genoemd? Of ben ik nu gek? We komen aan in een donkere gang, die enkel wordt verlicht door brandende toortsen. De man pakt er een en loopt naar een deur. Hij steekt de toorts in een muuropening en pakt zijn sleutelbos. Hij pakt een sleutel en maakt de deur open. 'Na u,' zegt hij. Ik loop naar binnen en kijk Sergei even aan. 'Ik blijf hierbuiten wel even wachten, totdat je klaar bent.' Ik knik en loop naar binnen. De deur wordt achter me gesloten. Ik haal even diep adem. De kamer wordt enkel verlicht door een klein raampje. 'Lodewijk?' Ik hoor iemand opstaan. 'Ah, je bent er.' Dan zie ik hem. Hij is veranderd. Zijn kleren zijn vies, en hij heeft zijn pruik niet op. 'Hoe gaat het met je?' vraagt hij. 'Het gaat wel. En met jou?' 'Tsja, het gaat wel. Beloof je goed voor mijn dochter te zorgen?' Ik knik. 'Natuurlijk beloof ik je dat. Maar heb je nu niet door dat je te ver bent gegaan?' 'Nee. Ik heb gedaan wat ik moest doen.' 'Je hebt het land verwoest, Lodewijk! Kijk nou wat er van over is. Je hebt geluk dat Rusland en Frankrijk vrede hebben gesloten, anders was er nog minder van overgebleven. Je hebt mensen laten lijden. De hele economie is ingestort. Er is niks meer van over. Kijk wat je gedaan hebt.' Hij snuift. 'Leugens, allemaal leugens. Als het echt zo erg zou zijn, denk je niet dat mijn ministers me op de hoogte gebracht hadden? Natuurlijk wel.' Nu snap ik het. Het was nooit zijn bedoeling geweest. Het is niet zijn schuld. Zijn ministers hebben tegen hem gelogen. Ze hebben hem een masker voorgehouden. En nu zijn zij op vrije voeten, en moet hij boeten voor hun daden. 'Ze hebben tegen je gelogen, Lodewijk. Zie je het niet? Waarom zou het volk anders in opstand komen?' Lodewijk is stil. 'Geen idee.' 'Inderdaad Lodewijk. Als alles goed gaat in een land, dan is er voor het volk ook geen reden om in opstand te komen. Althans niet op die manier. Natuurlijk, perfectie bestaat niet. Maar ze hebben je ter dood veroordeeld, Lodewijk.' Ik zucht. Het helpt toch niet. Hij zal het nooit begrijpen. 'Veel succes, Lodewijk.' Ik draai me om en loop naar de deur. 'Ik heb altijd van je gehouden, Sophie. Altijd.' Ik draai me om. 'Wat zeg je daar?' Hij staat net in het licht van het raampje. 'Je hebt me wel gehoord.' 'Maar wat bedoel je? Als een vriend? Dat bedoel je toch?' Lodewijk schudt zijn hoofd en komt dichterbij. Hij pakt me vast. 'Nee, Sophie. Nog veel meer. Is het je nooit opgevallen? Ik houd van je, Sophie. Ondanks dat je getrouwd ben. Ja, ik weet dat het fout is. Ja, ik weet dat dit een oorlog kan veroorzaken. Daarom durfde ik het nooit te zeggen. Maar nu, nu alle hoop is verloren voor Frankrijk...Wat heb ik te verliezen? Het is toch een hopeloze zaak. Ik sterf vandaag Sophie. Het maakt niet meer uit.' Dan kust hij me! Verbaasd en geschokt laat ik hem zijn gang gaan. Hij trekt zich terug. Het duurt een paar seconden voordat ik weer op aarde ben. 'Je houdt ook van mij, toch?' vraagt hij. Ik zucht even en wrijf een haarlok uit mijn gezicht. 'Geef het toe, Sophie. Je werd zo week als gesmolten boter.' Ik deins naar achteren. 'Wij horen niet bij elkaar, Lodewijk. Ik heb Sergei al eens bedrogen. Laat me dat geen tweede keer doen.' Zijn houding verandert. Hij stapt op me af en duwt me tegen de deur. 'Kus me, Sophie,' sist hij. Ik schud mijn hoofd. 'Nee, Lodewijk. Dat wil ik niet. Laat me los, of ik roep de bewaker.' 'En dan? Dood ga ik sowieso.' Ik ruk me los en bonk op de deur. 'Ik ben klaar,' roep ik. Ik hoor een sleutel kraken. Gelukkig, ik kan weg. Ik kijk naar Lodewijk. 'Hier zul je spijt van krijgen, Sophie,' zegt hij. 'Dat betwijfel ik.' De deur gaat open en de man loopt weer naar binnen. Ik verlaat de kamer zonder nog iets tegen Lodewijk te zeggen. Ik loop straal langs Sergei heen. Ik moet hier weg. Lodewijk kan doodvallen. Ik heb hem niet nodig. Hij verdient het om te sterven! 'Wow, Sophie! Gaat het wel?' Ik blijf staan. Ik voel twee warme armen om mijn middel. Ik zucht. 'Het...Het gaat wel. Het is goed, maak je geen zorgen.' Hij kijkt me even aan. 'Weet je het zeker?' vraagt hij. Ik knik. 'Ja, het gaat wel. Maak je nou maar niet druk.' Ik druk een kus op zijn lippen. 'Kom, laten we teruggaan naar het hotel.' 'We moeten het meisje nog ophalen.' Ik zucht. 'Oké dan. Maar wel snel.'
We komen aan bij het hotel. Therèse heeft de hele tijd niets gezegd. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Ze staat op het punt haar ouders te verliezen. En ze is pas 7. De koets stopt. 'Liefje, we zijn er,' zeg ik tegen haar. Ze kijkt me even aan. Het portier gaat open. Sergei stapt uit en helpt Therèse uitstappen. Dan stap ik uit. Ik pak haar handje vast en samen lopen we naar binnen. Peter en Aleksej zitten er al. Verbaasd kijken ze ons aan. 'Wie is dat?' vraagt Peter. 'Dit is Thérèse,' antwoord ik. 'Ze komt bij ons wonen.' Peter kijkt haar even aan. Ik zie dat hij begint te blozen. Aw, volgens mij vind hij haar leuk. 'Waar zijn jouw ouders?' vraagt Aleksej. Ai, net de verkeerde vraag. Thérèse's ogen worden vochtig. Dan begint ze te huilen. Ik kniel voor haar neer en druk haar tegen me aan. 'Sst, stil maar. Het is goed, liefje. Ze gaan dadelijk naar een hele fijne plaats.' 'Heb ik wat fouts gedaan?' vraagt Aleksej. 'Ze voelt zich niet zo lekker,' zegt Sergei. 'Oh. Wil je een sinaasappel?' vraagt Aleksej. Voordat ik iets kan zeggen, is hij al naar de bar gerend. Hij klimt op een kruk en pakt een sinaasappel uit de fruitschaal. Hij komt weer terug gerend. 'Alsjeblieft. Een lekkere sinaasappel. Je moet veel fruitjes eten als je ziek bent. Toch vader?' Sergei knikt. 'Ja, Aleksej. Heel goed. Waarom gaan jullie met z'n tweeën niet even buitenspelen?' Ze rennen naar buiten toe. Ik richt me weer op Thérèse. 'Wil je even wat gaan slapen?' Ze veegt haar tranen weg en haalt haar schouders op. Ik druk een kus op haar voorhoofd. 'Het komt wel goed, schatje. Je bent nu bij ons.'
Er zijn nog geen reacties.