Opdracht één | Schrijfwedstrijd Unplugged
Ik lag op bed, met een boek in mijn handen. Het boek heette “Assepoester”. Ik herinnerde me hoe ik mijn moeder elke dag had gevraagd het boek voor te lezen. Assepoester was een klein beetje anders dan anderen, ze kon met muizen praten, ze had een goede band met haar paard. Eigenlijk is daar niets raars aan, want ik praatte soms met de wind, hij begreep me.
‘Lucy, kom naar beneden, je moet naar school!’ riep Rose, mijn oppas.
Mijn moeder en mijn vader waren op reis naar Noorwegen, ze wilden er even uit. Ze waren twee succesvolle regelaars die in hun bedrijf alles regelden en organiseerden. Ik kon hun bijna nooit zien, dus waarom ze “op vakantie” waren snapte ik ook niet.
‘Lucy!’ riep Rose ongeduldig en ik hoorde traptreden kraken.
Ik ging rechtop zitten en stond daarna gewoon op. Ik verborg het boek onder mijn kussen, anders zou Rose me toch uitlachen omdat ik naar het boek “Assepoester” keek, dat wist ik zeker. Na nog een roep van Rose liep ik naar de deur en deed die open. Rose stond recht voor me, ietwat boos. Ik zuchtte en liep haar voorbij. Gelukkig had ik mijn kleren aan, anders had het echt een woede-uitbarsting veroorzaakt bij die oppas.
‘Waarom duurde het zo lang?’ vroeg Rose toen ze achter me aan liep.
‘Kan mij het schelen, ik ben toch niet te laat. Oprotten nou, ik ga naar school,’ siste ik geprikkeld en bij die woorden pakte ik mijn rugzak en liep ik naar de schuur.
Mijn fiets stond niet op slot, zoals gewoonlijk. Buiten de schuur juist wel, altijd. Ik pakte het stuur vast en reed met de fiets aan de hand naar buiten, door de achterdeur en daarna ging ik op het zadel zitten. Ik drukte één voet op de trapper naar voren en toen de andere trapper omhoog kwam zette ik mijn andere voet daar ook op. Daarna fietste ik zorgeloos naar school. Ik stalde mijn fiets in het fietsenhok en zoals altijd stond het groepje Cheerleaders bij de ingang van dat fietsenhok. Deze keer blokkeerden ze me.
‘Wat moet je van me?’ vroeg ik.
‘Je bent anders. Tè anders. Je hoort hier niet. Je hoort op een school met gestoorde kinderen en pubers. Een instituut,’ zei de leider, Jessica.
‘Hou je erbuiten,’ siste ik haar toe.
‘Zelfs je ouders haten je, daarom zijn ze weg,’ kaatste Brittany, de co captain, terug.
Het raakte me. Ik wist net zo goed als hun dat het waar was, maar toch raakte het me. Ik rende hard naar binnen en rende verder naar de meisjeswc. Fred, een populaire jongen waarvan alle meisjes bevriend zijn, behalve ik, zag me wegrennen. Ik merkte ook niet dat hij achter me aan rende maar bleef staan bij de deur die naar de wc leidde.
‘Lucy? Wat is er?’ vroeg de stem van Fred die gedampt was door de deur.
‘Laat me met rust, verdorie,’ zei ik en ik snikte.
Mijn mascara liep uit en tranen rolden over mijn wangen. Ik sloot mezelf op in de wc en ging zitten. Fred kwam daarna gelijk binnen. Hij vroeg of ik de deur open wilde doen, ik antwoordde niet. Ik was het niet waar.
‘Ik ben niet perfect, ik verdien al dat geld, speelgoed, enzovoorts niet,’ snikte ik.
‘Wie zegt dat je dat niet verdient. En niemand is perfect, Luus. Niemand anders kan perfect zijn, dat weet jij ook. Ikzelf werd vroeger ook gepest, maar uiteindelijk hoorde ik van mijn moeder dat niemand perfect is, ook de voetballers niet, ook de cheerleaders niet, ook de rugbyers niet. Niemand,’ en bij die zin deed ik zachtjes de deur open.
‘Je… hebt gelijk,’ beaamde ik zachtjes. ‘En zo is het,’ zei Fred.
Bij het laatste woord drukte Fred zijn lippen op de mijne.
Er zijn nog geen reacties.