Voor de schrijverswedstrijd van David ^^ Waar het over gaat lees je zelf maar =)

Met een plof laat ik mijn fiets in het gras vallen en kruip ik onder de bosjes door naar het weiland. Ik spring vlug over de sloot en grijp me snel vast aan het houten hek, dat mij red van een duik in de sloot. Het hek is het enige dat mij nu nog scheidt van het paardje dat hier altijd zo alleen in de wei staat. Hij lijkt het zelf nooit zo erg te vinden, maar ik vind het een beetje zielig. Sindsdien ga ik hem elke dag even opzoeken en zijn we vriendjes geworden.
Ik klim over het hek heen. Het paardje heeft me al gezien en loopt naar me toe. Ik vraag me af of hij dat doet omdat hij me lief vind, of omdat ik altijd wel iets lekkers bij me heb. Zo ook nu. Het paardje is inmiddels voor mijn neus gaan staan en staat aan de zak van mijn vest te snuffelen. Damn, dat had hij ook snel door. Ik ga bij hem in het gras zitten en haal de appel uit mijn zak. De oortjes van het paardje gaan naar voren en hij heeft de appel al verslonden voor ik hem goed en wel heb gegeven. Ik moet lachen, het is zo’n grappig beestje! Zijn vacht is bruin, zijn manen en staart zijn lichter. Hij heeft schattige wollige oortjes en prachtige ogen, waarmee hij me heel lief aan kan kijken. Die ogen kan ik niet weerstaan, ze kunnen me altijd opvrolijken als ik verdrietig ben.
Het paardje loopt een rondje om me heen en gaat dan weer vrolijk verder met gras eten. Ik trek mijn knieën op, leg mijn kin erop en staar dromerig wat voor me uit. Het is lekker warm in de zon en er waait een fijn briesje. De warmte zorgt ervoor dat ik wat doezelig word. Mijn gedachten zijn ergens ver weg en het paardje graast nog steeds rustig door. Zo blijf ik lange tijd zitten.
Plotseling krijg ik een dus tegen mijn schouder. Doordat ik die niet aan zag komen val ik om en beland in het gras. Verbaasd kijk ik op naar het paardje dat voor mijn neus staat. Dan duwt hij nog eens tegen me aan en ik kom overeind. ‘Vind je dat soms grappig?’ vraag ik aan hem. Hij kijkt me alleen maar aan. Dan geeft hij me nog een duwtje. ‘Ik heb geen appels meer, die zijn op.’ zeg ik dan maar, ter verontschuldiging. Ik sta op en sla het zand van mijn kleren. Door mijn plotselinge bewegingen schrikt het paardje en draaft hij een stukje van me vandaan. ‘Ho maar, ik wilde je niet laten schrikken hoor.’ zeg ik, en ik ga op mijn knieën in het gras zitten. Het paardje begrijpt de hint en komt direct op me af lopen. Als hij bij me is staat hij stil en legt zijn hoofd op mijn linkerschouder. Ik sla mijn armen om zijn hals, net alsof ik hem aan het troosten ben.
Plotseling haalt het paardje zijn hoofd weer weg, alsof hij er genoeg van heeft. Ik kom langzaam overeind om het paardje niet weer te laten schrikken. Maar het paardje draaft toch weg, om een eindje bij me vandaan weer tot stilstand te komen. Hij kijkt om met zijn oortjes naar voren. “Pak me dan als je kan?” lijkt hij te willen zeggen. ‘Dit ga je toch niet menen hè?’ zeg ik tegen het paardje. Hij schud zijn hoofd. “Kom!” ‘Nou vooruit.’ zeg ik. Ik zet een stap in de richting van het paardje. Het paardje zet een stapje weg. Dan begin ik te rennen. Het paardje hinnikt vrolijk en rent keihard voor me weg, om even verder op weer uitdagend stil te gaan staan. Zo blijven we aan de gang, net zo lang tot we er moe van zijn. Ik blijf hijgend stilstaan. Het paardje lijkt het ook op te geven en komt rustig op me af gelopen. Ook hij hijgt een beetje. Ik ga zitten in het gras en laat mezelf dan achterover vallen. Dan hoor ik nog een plof. Als ik naast me kijk zie ik dat het paardje ook is gaan liggen. Samen liggen we de rest van de dag in het gras uit te rusten van ons spelletje tikkertje.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen