"En sinds wánneer kan het jou ook maar iets schelen waar ik heen ga?" schreeuwde ik tegen mijn vader. Hij was altijd aan het zeiken, werkte de hele dag en zoop zich ’s avonds lam. Hij ergerde me gigantisch, want hij trok zich nooit wat van me aan, niet eens of ik wel wat te eten kreeg ’s avonds. En als ik dan een keer zijn desinteresse kon gebruiken, dan moest hij opééns zo nodig weten waar ik heen ging. “Als ik dat wil weten, wil ik dat weten. Punt.” Gromde hij. “Ach vent, ga toch fietsen.” Snauwde ik en liep de deur uit.

Ik liep mompelend in mezelf de deur uit en liep tussen de bomen naast mijn huis door. Grommend begon ik mijn kleren uit te trekken. Het was nou eenmaal niet echt handig als je iedere dag nieuwe kleren kon gaan kopen omdat je weer eens uit je kleren gebarsten was, omdat je zo nodig in een of ander gigantisch beest moest veranderen. En het zou ook wel opvallen. Ik stopte mijn kleren in de bosjes en met een brul uit mijn binnenste veranderde ik weer in dat grote, harige beest.

Ik schudde me even uit en snoof de lucht om me heen op. Geen nieuwe geuren, behalve dan het feit dat hier pas geleden een hond was geweest. Ik begon te rennen, strekte mijn harige poten en rende op een gemoedelijk tempo tussen de bomen door. In een flits vingen mijn oren iets op en ik zette mijn nagels in de leem en kwam slippend tot stilstand. Jemig, mijn slidingstop leek wel op die van een broekie. Ik schudde met mijn kop en stak mijn snuit in de lucht om de geur op te vangen.

Ik zuchtte. Het was gewoon een stom hert. Ik had geen honger, maar toch trok het dier me aan. Vreemd. Dat had ik normaal nooit. Ik besloot het te volgen en te observeren. Ik sloop lichtvoetig en uiterst langzaam achter het dier aan en merkte dat het veel oplettender en alerter was dan menig ander hert. Plots stond het stil, staarde me recht in mijn ogen aan, en rende als een kogel uit een geweer er van door. Vreemd. Heel vreemd.

Ik rende nog een tijdje door het bos en besloot dat het wel weer tijd was om terug naar huis te gaan. In de verte hoorde ik de kerkklok tien uur slaan, dus draaide ik me soepel om en sprintte terug naar waar ik mijn kleren had verstopt. Ik trippelde naar de struiken toe en veranderde terug in mijn mensen gedaante. Snel trok ik mijn kleren weer aan en liep naar huis.

Ik maakte de deur open en liep luidruchtig naar binnen. Ik had mijn vader al van ver horen snurken op de bank, en het zou me niet interesseren als hij wakker werd. Maar ik had pech, hij snurkte keihard door. Ik slofte de trap op en zette mijn computer aan. Brommend kwam het oude ding tot leven. Ik wachtte ongeduldig tot hij was opgestart en opende mijn mail. Mijn adem stokte toen ik zag dat ik een nieuwe email had, van een adres dat ik niet kende.

Mijn vader had me altijd wijs gemaakt dat mijn moeder niets om me gaf –ironisch, toch?-, en ons in de steek had gelaten. Maar ik wist wel beter. Daarom voerde ik al een half jaar lang een zoektocht naar mijn moeder. Ik opende de mail, en mijn hart begon in mijn keel te bonzen.
Het was een meisje waar ik de mail van had gekregen, en ze beweerde dat ze bij mijn moeder woonde, dat ze.. mijn zús was. Hij had het nooit over een zus gehad!

Woedend stormde ik de trap af en ramde hem wakker met een kussen. Hij keek me kwaad aan. “Moet dat?” gromde hij slaapdronken –en ook gewoon dronken- . “Ja.” Snauwde ik. “Waarom lieg jij over mama?” zijn ogen werden groot. “Je moeder geeft niks om je, jij rotkind!” mijn ogen werden waterig, maar ik weigerde hem te laten zien dat ik huilde. Dat ik ook maar enige andere emotie had dan woede op dit moment.

“Mijn moeder houd van me, in tegenstelling tot jij, rotvent!” hij gaf me een klap in mijn gezicht, maar ik gaf geen kik. “Jij verzint dingen!” snauwde hij. “Jij ja,” beet ik hem toe. “Dat je over mama liegt is één ding, maar waarom vertel je me in godsnaam niet dat ik een zus heb?” Hij liep knalrood aan. “Genoeg nu! Ga naar je kamer, voordat ik je nog een mep verkoop.” Gromde hij kwaad. “Best!” snauwde ik en liep de kamer uit. Halverwege stopte ik om zijn bierblikje van het salontafeltje te pakken. Ik draaide me om en smeet het naar zijn hoofd.

Ik ging achter mijn computer zitten en schreef een email terug. Ik zou morgen gewoon spijbelen, dat boeide me echt niet. Ik had toch al een rot school, dus niemand zou me missen. Ik schreef dat ik morgen langs ging komen, maakte niet uit waar ze woonden, en hoopte dat ze snel terug zou schrijven.

Nog geen tien minuten later had ik al een email terug. Ze had het adres erin gezet. Ik glimlachte. Mooi, dat kon ik makkelijk rennen. Niet als mezelf uiteraard, maar ik kon het rennen, en ik zou er ongeveer twee uur over doen. Ik zette de computer uit en kleedde me om. Nadat ik mijn tanden had gepoetst viel ik in slaap.

Ik snoof de frisse lucht van het dichtbegroeide bos op. Heerlijk om er eens op uit te gaan. Ik ging niet volle snelheid, maar langzaam kon ik het ook niet noemen. Ik slalomde om bomen, sprong over grote stenen en zette mijn nagels goed in de leem.
Ik minderde vaart toen ik in de verte een snelweg zag opdoemen. Die moest ik oversteken. Zou vast niet opvallen. Een gigantische wolf die op klaarlichte dag een snelweg oversteekt. Ach ja. Wat kon mij het schelen. Ik wachtte tussen de bomen totdat ik even niks zag komen en sprong de weg op.

Ik sprong soepel over de vangrails, maar er kwam een auto die ik niet had gezien. Ik moest snel handelen, voor er ongelukken gingen gebeuren. Ik zette me met kracht af en sprong in één keer over de auto het bos in. De bestuurder van de auto slingerde over de weg, en ik staarde hem nog even na, maar hij kreeg het voertuig weer onder controle. Ik grijnsde. Ik had geen auto nodig. Ik rende wel.

Ik rende een gebied in en zette mijn nagels diep in de leem om af te remmen. Mijn sliding stop zag er al niet meer zo dom uit. Ik snoof mijn grote longen vol lucht. Het rook vreemd. Bekend, maar vreemd. Ik trippelde op een drafje tussen de bomen door, en zag een welkoms bord. Welcome to Jefferdale. Stond erop. Jefferdale, dat was waar ik moest zijn. Mooi. Ik liep terug het bos in, veranderde en kleedde me om.

Ik liep naar de weg toe, en zag niemand op straat. Prima, ik vond het wel. Ik liep een woonwijk in, en keek naar de straatnaam, dit was de straat. Ik huiverde even. Maar ik zuchtte, vermande me en liep door. 102, 102, 102. Ik zocht huisnummer 102. “Ah!” stootte ik uit. Het was een prachtig ruim hoekhuis met een goed onderhouden tuintje. Ik glimlachte en liep naar de veranda.

Ik belde aan en het duurde even voor de voordeur open ging. Een vriendelijke vrouw deed open, en haar mond viel open toen ze me zag. Ik wist niet of dat van schrik, verbazing of blijdschap was. Misschien ook wel alle drie. Mijn adem stokte toen er een gezicht opdoemde achter haar. Het leek wel alsof ik in een spiegel keek..

Reageer (1)

  • Smal

    is benieuwd naar het volgende :D

    1 decennium geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen