3
Ik droomde dat ik dood was. Ik liep naast een mooie jongen met blond haar. Ik fluisterde in zijn oor. ‘Waar ben ik?’ Heel zachtjes. Maar de jongen reageerde niet. Ik sprak op normale toon en vroeg opnieuw: ‘Waar ben ik? Ben ik dood?’ De jongen deed of ik lucht was. Ik schreeuwde. ‘Zeg me alsjeblieft waar ik ben! Antwoord! Stop daarmee! Ik sta hier!’ Maar hij hoorde me niet. Opeens zag ik een jonge vrouw. Ze was ziek. Ze lag in bed. Ik ging bij haar op bed zitten. Ik vond het zo zielig. Ze lag daar zo lusteloos. Alsof ze dood was. Er zat een man naast haar. Hij huilde. ‘Wat is er met haar?’ Vroeg ik. Maar ook de man deed alsof ik niet bestond. Hij had droevige, blauwe ogen. Zijn bruine haren waren vet en onverzorgd. Hij zat op een stoel naast het bed en sprak tegen de vrouw. Hij vroeg haar hoe het verder moest met zijn werk en hun kind. ‘Wat met Liza? Wat zal er gebeuren als jij ons achterlaat? Ze kan toch niet opgroeien zonder moeder?’ Maar de vrouw antwoordde niet. Ze lag nog steeds in het bed, te vermoeid om te spreken, laat staan recht te staan.
Ik hoor een stem. Heel stil. In de verte. Het is een mannenstem. Hij klinkt heel droevig en wanhopig. Hij huilt, denk ik. Het gehuil klinkt net hetzelfde als de man naast het bed van die vrouw. Ik heb medelijden met hem. Ik wil hem troosten, maar het lukt me niet. Ik kan mijn ogen niet openen. Mijn oogleden voelen heel zwaar. Met alle kracht die ik nog heb probeer ik mijn ogen te openen. Tevergeefs.
Er zijn nog geen reacties.