2
Sam heeft me gisteren uitgenodigd bij hem thuis! Ik ga er straks langs. Ik ben zo benieuwd! Hoe zal zijn kamer eruit zien? En heeft hij huisdieren? Een tuin? Zal hij een grote tuin hebben? Oh, ik moet vertrekken. Daag!
Ik ren naar de keuken en zeg tegen Papa dat ik even wegga. Buiten haal ik mijn fiets van het slot en fiets de straat uit. Sam heeft me goed uitgelegd hoe ik bij zijn huis geraak. Hij woont aan de buitenkant van de stad. De stadsrand. Daar staan meestal grote huizen. Woont hij ook in zo’n villa? Na tien minuutjes fietsen kom ik in een mooie wijk met grote huizen. Nummer 43… Aha! Daar is het. Ik stop voor een hoog wit huis met veel ramen. Het heeft een grote tuin en er staat een dure auto op de oprit. Nog voor ik kan aanbellen, gaat de voordeur al open. ‘Ik zag je fietsen.’ Sam staat in het deurgat. Hij draagt een joggingbroek en een los T-shirt met witte letters. ‘Kom binnen.’ Nu sta ik in een grote hal met kapstokken aan elke muur. Ik hang mijn plastic regenjas tussen de dure mantels en merkjassen. Ik wist niet dat Sam het zo breed had. Hij straalt het in ieder geval niet uit. Als we via de woonkamer naar boven gaan, lopen we voorbij zijn moeder. Een keurig opgemaakte vrouw met mooie kleren. Ze kijkt afkeurend naar mijn vette haren, maar zegt er gelukkig niets over. Het enige wat ze zegt is: ‘Hallo, ik ben Sam’s moeder. Jij bent vast Liza. Aangenaam.’ Ik antwoord beleefd terug en volg dan Sam naar z’n kamer. Het is een ruime kamer met een groot bed en een wit bureau. Zo’n kamer heb ik altijd gewild.
Het was echt heel gezellig gisteren. We hebben veel gelachen. Om de hond van Sam’s buurman, om de huilende kinderen, die in het appartement boven me wonen, om een jongen uit mijn klas. Zelfs om Rani en Anna! Hij zei dat hij Rani maar een rare meid vindt! Ik voel me zo goed bij Sam. Het klikt gewoon. Voor het eerst heb ik durven zeggen wat ik eigenlijk van Anna en Rani vind. Opeens zei hij: ‘Elke keer opnieuw, val ik op populaire meisjes, met een IQ van 0. Maar jij bent anders.’ En toen… jawel! Hij kuste me! Mijn eerste, echte kus! Ik kan niet wachten om hem morgen te zien. Rani en Anna zullen nogal staan kijken.
Ik sta voor de spiegel en inspecteer mezelf van kop tot teen. Ik heb mijn mooiste kleren aangetrokken, mijn haar opgestoken en oude schoenen van mama aan. Zwarte schoenen met een hakje onder. Past perfect bij het zwarte topje dat ik draag. Toch vraag ik me af wat Sam eigenlijk in mij ziet. Op dat meisje in de spiegel zou ik nooit verliefd worden. Nooit. Het is een lelijk meisje met lelijke schouders. Zal ik toch geen T-shirt aandoen? Als ik nog snel van kleren wil wisselen, komt Papa mijn kamer binnen. ‘Wauw! Wat ben je mooi! Van waar heb je die schoenen?’ Hij klinkt enthousiast. ‘Van Mama. Ze stonden op zolder.’ Ik zeg het stil, maar Papa heeft het heel goed gehoord. ‘Ik kwam alleen zeggen dat je moet vertrekken. Je zal te laat komen op school.’ De enthousiaste vader van daarnet is weg, en de droevige stapt nu ook mijn kamer uit.
Ik sta bij Rani en Anna in de gang en kijk rond of ik Sam nog niet zie. Oh, daar komt hij! Ik loop naar hem toe en kus hem op zijn mond. Rani en Anna staan verbaasd te gapen. Ze denken vast: ‘Liza heeft een vriendje? En hij is nog eens ouder ook?! Is dit een droom?’ Maar ze zijn niet de enigen, want ik denk er ook zo over. Sam en ik lopen terug naar de meisjes en Sam zegt trots tegen hen en zijn vrienden: ‘Mensen, dit is Liza en ik ben hopeloos verliefd op haar.’ Opeens voel ik me zo zelfverzekerd. ‘Dat hadden jullie niet verwacht, hé?’ Ik voel me even trots als Sam, en dat hoor je ook in mijn stem. Rani wordt vuurrood en vlucht naar de wc’s. Ze is vast boos omdat ze nu de enige is die nog geen vriendje heeft. Ik heb er wel een, dat zal zo blijven. Dit pakken die krengen mij niet af.
In een roes van verliefdheid en trots fiets ik naar huis. Ik had een topdag. Het is mooi weer, de vogeltjes fluiten en zelfs op dit uur is de stad weer vol leven. Enkele meters verderop moet ik oversteken. Het is een drukke straat met een lang zebrapad waar op dit moment veel auto’s over rijden. Als ik kom aangereden met mijn fiets is het net rood. Normaal zou ik denken dat ik voor het ongeluk geboren ben, maar vandaag kan het me niet schelen. Ik heb tijd zat. Ik wacht geduldig tot het licht op groen springt en steek dan over. Als ik op het midden van het zebrapad ben, komt er een snelle, gele auto aangereden. Er zit een oudere man achter het stuur. Hij is aan het bellen en komt best snel af om zo meteen te moeten remmen. Maar als hij enkele meters voor mij rijdt dringt het tot me door dat hij niet zal remmen. Mijn hart klopt in mijn keel en de adrenaline giert door mijn lijf. Net nu alles zo goed ging.
Er zijn nog geen reacties.