Moest nablijven vandaag. Anna en Rani hadden mijn agenda vol gekliederd met scheldwoorden, toen ik vrijdagavond bij Rani thuis, op de wc zat. Ik was ziek van die cakejes die we gebakken hadden. Ik had een voor Anna gebakken, Anna een voor Rani, en Rani een voor mij. De directeur kon niet lachen toen hij mijn agenda zag, en Rani en Anna hadden er natuurlijk weer niets mee te maken. Papa was niet boos. Hij vraagt zicht af waarom ik met die meisjes blijf omgaan. Beter dan alleen lopen… Met wie moet ik anders omgaan? De rest van de klas is boos op me, omdat ik zogezegd, tegen Anna, over hen geroddeld heb. Dat is niet waar. Moet stoppen met schrijven, want papa roept voor het eten. Grtjs, Liza.

Papa is een knappe man. Hij heeft bruin haar en blauwe ogen. Een stoppelbaard bedekt zijn kaken, bovenlip en kin. Hij draagt een donkerbruin T-shirt. Het is vuil en er zit een gat in. Hij heeft spaghetti gemaakt. Papa is altijd heel lief voor mij. Hij heeft me alleen opgevoed en we hebben een sterke band. Mama is gestorven aan borstkanker toen ik 4 was. Papa was er kapot van en heeft zijn werk verwaarloosd. Hij was advocaat. Nu werkt hij parttime achter de kassa in de supermarkt. We huren een klein appartementje in het centrum van Gent. Ik werk in het weekend om het lidgeld voor de volleybalclub te betalen. Volleybal en Papa’s liefde is het enige wat ik heb.
Yes! Gewonnen. Dat betekent warm water voor ons. Het was een oefenwedstrijd. Rani, Anna en ik tegen Lien, Fien en Lena. De winnaars krijgen de drie douches met warm water. ‘Hé, Liza, heb jij shampoo bij?’ Rani staat onder de douche en geniet van het warme water dat met een dikke straal haar lichaam verwarmt. ‘Ja, maar gebruik niet te veel, want daarmee moet ik toekomen, de komende 6 maanden.’ Antwoord ik. Het is een klein busje shampoo van een duur merk. Een merk waarvan je dure make-up en parfum kan kopen. Ik zag het staan in de winkel, toen ik boodschappen ging doen, en had nog wat geld over. Ik wilde het zó graag. Voor één keer kunnen meepraten met de andere meisjes over een echt merk. Zo’n duur. Nu heb ik geen geld meer over voor andere shampoo, en er zit maar 125 ml in. ‘Ja, ja, gierige pin.’ Rani weet dat ik het niet breed heb, dus beschouw ik dat maar als een grapje. Ik geef de shampoo aan Rani en ga ook onder een warme douche staan. Er zijn zeven douches, waarvan drie met warm water, en vier met koud. Thuis wordt de douche in het kleine badkamertje enkel gebruikt voor speciale gelegenheden. Zelden, dus. Ik douche me altijd na de training, in de kleedkamer. Dan hoef ik de douche thuis niet te gebruiken. Ik blijf lekker lang staan, tot mijn luidruchtige ploegmaten in het andere deel van de kleedkamer zijn, en zich aankleden. Rani heeft de shampoo terug mee. Het hete water stopt met stromen. Sta ik er al zo lang onder? Na twintig minuten stoppen de douches automatisch, zodat ze niet per ongeluk de hele dag open zouden blijven staan. Ik wikkel me in het kleine, ruwe handdoekje, en loop naar de andere meisjes om me af te drogen. Op mijn sporttas ligt het busje shampoo. Ik wil ze in het zijzakje steken, als ik merk dat ze wel heel licht aanvoelt. Het is leeg! Rani en Anna gieren van het lachen wanneer ik me omdraai. Wat een rotstreek.
Gentcentrum. Daar fiets ik, in het begin van de lente, op de weg terug naar het bekrompen appartement. Het is een roestige, oude fiets. Hij was van Mama, vroeger. Ik houd van die drukte in de stad. Om zeven uur ’s avonds, begint men hier te leven. Meer dan ooit tevoren. Kleine restaurantjes, volgepropt met hongerige mensen, een buskotje met mensen, wachtend op een bus die weer eens te laat is. Een zwangere vrouw met een klein meisje op schoot, een groepje jongeren, dat luidkeels lacht, en een jongen met blond haar. Hij leunt tegen de rand van het buskotje en staart met een bezorgde rimpel op zijn voorhoofd voor zich uit. Als ik langsrijd, maken we oogcontact. Hij heeft zulke diepe, donkere ogen. De bezorgde rimpel verdwijnt. Het is net alsof ik gevangen zit. In de grote, bruine ogen van een onbekende jongen. Ik moet me dwingen terug voor me te kijken, want ik rijd bijna tegen een verkeerslicht. Het leidt me even af, maar direct daarna zijn mijn gedachten terug bij de jongen. Heb ik hem niet eerder gezien? Zit hij bij me op school? Of op volleybal misschien?
De bel. Eindelijk, lunchtijd. Ik sterf van de honger. Misschien kom ik nu wel de jongen van het buskotje tegen. Ik loop achter Rani en Anna, op weg naar de eetzaal. Als Anna Bjorn tegenkomt in de gang, beginnen ze uitgebreid te zoenen. Rani pakt mijn arm en trekt me mee naar de eetzaal. ‘Laat die maar eventjes klef doen.’ Zegt ze korzelig. Ik weet wel dat ze stiekem iets voor Bjorn voelt. Anna komt de eetzaal binnengerend en gaat bij ons aan tafel zitten. ‘Bedankt voor het wachten.’ Ze klinkt nogal cynisch, maar even later heeft Rani iets in haar oor gefluisterd en hebben ze weer dolle pret. Dan staat Anna op, om een glas te halen en stoot ze “per ongeluk” de overvolle kan water om, recht in mijn brooddoos. Daar gaat mijn lunch. Ik verwacht een verontschuldiging, maar in plaats daarvan beginnen de twee meisjes te lachen, staan ze op en gaan weg. Daar zit ik dan. Alleen. Maar niet voor lang, want opeens komt een jongen voor me zitten. Hij heeft blond haar, en die diepe bruine ogen van gisterenavond. De jongen van het buskotje. ‘Zijn dat jouw vriendinnen?’ Vraagt hij. Ik wil antwoorden: ‘Eigenlijk niet. Ik haat ze. Ik heb de pest aan die meiden. Ze maken me ziek!’ maar in plaats daarvan kan ik alleen maar ‘Ja’ uitbrengen. Waarom ben ik zo onzeker? Is het zo moeilijk eens een keer te zeggen wat er echt aan de hand is? De jongen zit rechtover mij, en kijkt naar de doorweekte boterhammen. ‘Je kan goed volleyballen.’ Zegt hij na een lange stilte. Ik wist wel dat ik hem eens op volleybal gezien had! ‘Dank je…’ zeg ik verlegen en niet-begrijpend wat hij zo goed vindt aan mijn volleybaltechniek. ‘Maar ik moet nog veel leren hoor.’ Voeg ik er nog snel aan toe. Ik wil ook nog vragen hoelang hij al volleybal speelt, maar ik durf niet. Ik wil niet overkomen als “dat nieuwsgierige meisje”. Alsof hij mijn gedachten leest zegt hij dan: ‘Ik speel geen volleybal, maar ik vind het leuk om te kijken hoe jullie spelen. Ik heet Sam trouwens. Jij bent Liza, niet?’ Hoe weet hij mijn naam? ‘Ja, dat ben ik.’ Antwoord ik, zonder verder vragen te stellen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen