Jennifer Williams, slachtoffer no. 001392a - deel 3
‘Hé, alles oké?’ Jim legde zijn hand op zijn partner’s schouder. Ze knikte en keek door het glas. Aan de andere kant zat Eva O’Malley. Door de briljante technieken kon zij hen niet zien, maar zag ze alleen een muur. ‘Je denkt toch niet dat hij je erg zal straffen? Dan zou hij onze kansen voor dit onderzoek net zo goed meteen weg kunnen strepen.’ Hij merkte aan Emily’s houding dat ze het fijn vond gewaardeerd te worden. Ze verdiende het ook. ‘Zullen we maar beginnen?’ Hij knikte en glimlachte. ‘Hopelijk blijft ze nu wel bij.’
Terwijl ze de kamer in liepen, veranderde er iets aan de ondervraagde: Haar houding ging van rustig en kalm naar beschermend en onzeker. ‘Bent u weer wat..’ ‘Ja,’ had ze geantwoord nog voor de agent zijn zin had kunnen afmaken. ‘Oké dan, dan willen wij u graag wat vragen stellen.’ Ze knikte en sloeg haar armen afstandelijk over elkaar. ‘Wat deed u bij het huis van uw moeder op dat late tijdstip?’ Ze keek verward. ‘Hebben we dit niet al gehad?’ ‘Aangezien het vorige gesprek niet erg soepel verliep moeten we de vragen opnieuw stellen,’ legde Jim uit. ‘Ik moest de struiken nog water geven.’ Emily’s wenkbrauw schoot omhoog. ‘Wat zegt u?’ ‘Bent u doof?’ De vrouw begon, duidelijk geïrriteerd, harder te praten. ‘Waarom zou u de planten zo laat nog water willen geven, aan het einde van een zeer regenachtige dag? En bovendien was dit niet hetzelfde als het vorige antwoord.’ De dochter van het slachtoffer keek haar met een arrogante blik aan. ‘Ik dacht toch echt dat dat gesprek niet meetelde? Waarom tellen de antwoorden dan toch?’ Dit werd genegeerd: Er werd verder gevraagd. Geen van de antwoorden leken ergens op te slaan. Toen ze uiteindelijk mocht vertrekken, fluisterde Emily tegen haar partner: ‘Ik geloof niet in psychologische theorieën, maar die vrouw heeft iets te verbergen, ik voel het gewoon!’
Het was half één, Jim stond zenuwachtig op Emily te wachten. Wat zou er met haar gebeuren? Zou ze gestraft worden? En waarom duurde het zo lang? Hij keek om zich heen: De gang was saai, grijs, leeg. Er stond enkel een plant. Het was echter geen sfeer brengende: Het deed hem denken aan zijn overleden grootvader. Bedorven en levenloos, zelfs buiten zijn graf. De stilte werd onderbroken door het gekraak van de opengaande deur en hevig geklak van hakken. ‘De kwal… Het monster… Het… Het... gemene persoon!’ mompelde Jim’s vriendin kwaad. ‘Geschorst! Wat denkt hij wel niet?’ Jim, die gauw mee was gelopen, stopte met lopen. ‘Geschorst? Wat! Voor hoelang?’ Ook Emily stopte en er klonk een zucht. ‘Twee weken. Nu heb ik wel tijd voor mijn nieuwe boek, zegt ‘ie dan! Bah.’ ‘Maar dan kan je niet helpen met deze zaak, deze bijna oplosbare zaak,’ merkte Jim op. ‘Dat kan hij niet doen! Er is iemand vermoord! Geeft hij daar dan niets om?’ Er werd een kaartje in zijn handen gedrukt. ‘Volgens Mac is deze de beste oplossing op dit moment.’ Er stond een naam en telefoonnummer opgekrabbeld. Waarschijnlijk was het gehaast gedaan, want het was nauwelijks leesbaar. ‘Faith Sweets… Dit kan je niet menen! Die naam alleen al! Sweets; liefde hebben we nu echt niet nodig, alleen bewijs.’ ‘Jim,’ zei Emily, kalmer dan voorheen, terwijl ze hem aankeek. ‘Je kan dit best! Hij zou echt geen slechte vervanging naar je sturen. Dat zou slecht voor zijn reputatie zijn, en dat kunnen we natuurlijk niet hebben.’ Jim maakte een instemmend, maar toch nog steeds ontevreden geluidje. Plots liet hij zijn hand naar zijn broekzak zakken. ‘Wat is er?’ Ze keek hem vragend aan. ‘Nieuw slachtoffer, ik moet weg.’
Er zijn nog geen reacties.