Laat alsjeblieft reacties achter, zodat ik weet of het een beetje bevalt :)

Jennifer Williams, slachtoffer no. 001392a
‘De maan spiegelde het licht van de zon over de struiken, die het niet al te grote tuintje van mijn moeder opvulden. Het was laat in de zondagavond, toen we haar aantroffen. Als versteend lag ze daar, in de zondagkleding die ze diezelfde ochtend in de kerk had gedragen. Een wassen beeld zo wit als sneeuw, met een hand, ontstoken en rood van het verspilde bloed. Het was stil, alsof de vogels van het land de rouw herkenden. Ik hield Ava achter mij door mijn armen te spreiden, beschermend als een moeder kan zijn. Niemand verdient het die pijn te beleven.’
– Eva O’Malley, dochter


Het was al laat toen de vibraties van zijn mobiel Jim wakker maakten. Langzaam bewoog zijn hand naar het moderne apparaat. ‘Jim Smith hier.’ Hij knikte, had een ernstige uitdrukking op zijn gezicht. ‘Waar?’ Een korte stilte, waar een gebrom op volgde. ‘Ik kom eraan. Is Emily er al van op de hoogte?’ Na een klein minuutje was het antwoord binnen en stond de rechercheur aangekleed naast zijn bed, klaar om te vertrekken.
Birchwood had altijd al een onheilspellende werking op Emily gehad. Het was een kleine stad, in de buurt van Warrington, te Engeland. Als tweeëndertig jarige antropologe had ze nooit gehoopt op een baan in deze dunbevolkte regio. Ze hield meer van de grote, drukke straten van een stad. Ze vond dat je daar de beste partners kon treffen, doordat er daar meer mensen en dus ook meer kansen zijn. Maar ditmaal had ze geluk: ze had Jim als haar partner. Geen liefdespartner, maar partner in de wereld van moorden. Lichamen, om preciezer te zijn. Miss Mitchell was namelijk niet erg sterk op sociaal gebied. Ze was erg serieus en vertrouwde volledig op de wetenschap. Daarom was Jim ook een goede partner, aangezien hij juist het tegenovergestelde was. Sociaal, sterk en religieus. Ze vulden elkaars gebreken. Gek genoeg was het ook nog zo dat deze twee, ondanks hun verschillen, goede vrienden waren.
De twee wetenschappers liepen naast elkaar de plaats delict op, wat naast een vuilnisbak was. Het slachtoffer, Jennifer Williams, vijfentachtig jaar, was de vuilnis aan het buiten zetten, toen het gebeurde. ‘Dat kan zo bij de vuilnis.’ De kameraad was niet altijd even subtiel. ‘Is er al een team bezig met het verzamelen?’ Het was een bekende, een agente van de lokale politie, die antwoordde. ‘Ik heb het team opgesplitst in twee helften. Eén is buiten, een ander zoekt binnen naar eventuele aanwijzingen die ons kunnen helpen.’ Smith knikte bevestigend. Een koel briesje zorgde voor verplaatsing van een aantal bladeren. ‘Maak haast! Ik hoorde dat er slecht weer op komst is. Wees snel, maar waakzaam dat je niets vergeet.’ Emily’s stem trommelde ieders brein wakker.

Kijkend naar het persoon dat hen gewaarschuwd had over het lijk, Eva O’Malley, dacht Emily na. Hoe zou het zijn, om je moeder of je oma zo te vinden, en te beseffen dat jij ook niets voor haar kan betekenen. Weerloos, een echt typisch mens. Plots werd ze aangetikt: Het was Jim, hij knikte naar de vrouw die de gedachtes van Emily op hadden gewekt. Juist, ze moeten haar ondervragen, dat is hun taak. Ze volgde haar partner. ‘Mevrouw O’Malley..’ ‘Zeg maar Eva,’ zei de gechoqueerde dochter. ‘Allereerst, onze welgemeende deelneming met uw moeder. Het moet moeilijk voor u zijn, haar zo te vinden.’ Jim keek haar aan. De sfeer was voelbaar onaangenaam. ‘Daarnaast, Eva, heb ik het goed als ik zeg dat u uw moeder heeft gevonden?’ Ze knikte. Het meisje dat in haar armen ligt, knipperde moeizaam met haar ogen. Het was al laat, zeker voor haar. ‘Hoe laat was dat?’ ‘Rond half twaalf,’ kreeg ze er moeizaam uit. Tranen vulden haar ogen opnieuw. ‘Ze nam haar telefoon niet op. Ik heb haar geprobeerd te bellen en maakte me zorgen. We wonen hier om de hoek, dus kwamen kijken.’ Er was iemand druk aan het schrijven. Een nieuw lid van de crew, Jack Fisher. Hij moest de aantekeningen maken. ‘Waarom doet hij dat? Ik wil het niet hebben.’ Ze sprong naar voren, gooide haar dochter aan de kant. Instinctief stak Emily’s partner zijn arm uit, Eva tegenhoudend. Woedend begon ze haar armen heen en weer te zwaaien. ‘Houd op! Ga weg! Stop!’ schreeuwde ze, krankzinnig was nog licht uitgedrukt. Plots slonk het silhouet, zakte in elkaar en begon met haar nagels de stenen te bekrassen. ‘Wij hebben hulp nodig!’ riep de antropologe en keek toe hoe twee agenten haar aan beide kanten vastgrepen en haar mee namen, terug de wagen in.

Toen was er nog het dochtertje van Eva. Zij bleef bij de rechercheur, van wie ze een flesje limonade uit de dichtstbijzijnde automaat kreeg. ‘Hé, ik ben Jim Smith, wie ben jij?’ Ze keek hem aan, met grote, onschuldige ogen, maar zei niks. ‘Het is oké, ik ben hier om jou en je moeder te helpen.’ Nog steeds bleef het stil. ‘Drink eerst maar wat.’ Na een paar slokken genomen te hebben, stopte ze met drinken en zei: ‘Ava.’ Toen stond ze op en liep naar de container. Er lag een verpakking naast de container, dat ze oppakte en terug naar Smith bracht. ‘Wat is dat?’ vroeg de rechercheur terwijl hij handschoenen aantrok en het aanpakte. Het was een verpakking van een evergreenreep. Ze zei niets meer en pakte het flesje water weer op.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen