-1859-

Rosaline De La French
Een teug adem verlaat moeizaam mijn koude lippen, en laat een branden gevoel achter in mijn kurkdroge keel. Ik heb een rare bijsmaak in mijn mond en ben verkleumd van de kou. Ik kuch zachtjes en hijg, wat een scheurend en rasperig gevoel geeft in mijn hals. Voorzichtig en verkleumd kom ik recht, terwijl ik de bladeren onder me laat ritselen en takjes laat breken. Schokkerig kom ik overeind, en spits de oren, zoekend achter een teken van leven. Achter me hoor ik een zacht geschuifel en heel voorzichtig en snel werp ik een blik naar achteren. Daar zit een meisje van een jaar of 15, met een lang jurkje aan en opgetrokken knieën. Ze staart bang naar me, niet wetend dat ik haar ook strak aanstaar. Een lichte bries laat haar donkerbruine haren opwaaien, en onthullen een klein deeltje van haar smalle gezichtje, en haar mooie hazelnootbruine ogen. Céline! Ik glimlach en wil naar haar toe lopen, maar dan voel ik opeens de dorst door mijn keel schuren, net als de drang om haar... te bijten! Meteen zet ik de gedachte uit mijn hoofd, en, met spijt in mijn hart, keer ik me weg van mijn kleine zusje en loop op schokkerige manier naar de andere kant van het bos, weg van het enorme kasteel, mijn thuis. Ik kan niet soepel of sierlijk lopen, daarvoor doen mijn armen en benen nog te veel pijn. Nog altijd voel ik dat vervloekte vuur door mijn aderen glijden, nog altijd voel ik die vreselijke, prikkende pijn. Langzaam, om niets te verrekken of nog meer pijn te bezorgen, loop ik verder, zonder enig idee te hebben waar naartoe. In elk geval weg van hier. Weg. Voorgoed.
De koude wind die door de bladeren van de bomen ruist, deert me niet. Net als de zuigende, smerige bruine modder, die overal verspreidt ligt in het bos. Ik loop nog steeds door het bos, alleen gaat het lopen nu al veel makkelijker. Soepel ren ik tussen de bomen en struiken door, terwijl mijn in rode muiltjes gestoken voeten vliegen over de modder en het mos. De pijn van daarnet, is allang verleden tijd. Gelukkig maar.
Nog steeds rennend zie ik in de verte opeens een klein, oud houten hutje. Het staat helemaal alleen in dit donkere bos, afgezonderd van de rest van de wereld. De kleine glazen raampjes zijn stuk geslagen zie ik, en de houten voordeur staat wagenwijd open. Best wel griezelig. Ik wil doorlopen, maar dan voel ik een zachte druppel uiteenspatten op mijn blote schouder. Regen. Ik kijk omhoog en de volle maan schijnt in mijn felblauwe ogen. Ik glimlach onwillekeurig, naar de mooie, ronde, schitterende maan. Ik voelde een rare aantrekkingskracht, en stond daar als in trance naar de maan te staren. Tot ik uit mijn toestand verbroken werd door een ijskoude druppel die op mijn wang spat, die al vlug gevolgd word door een tweede, derde, enzovoort... Nu het begon te regenen, en het toch al laat was, vluchtte ik naar het hutje om daar te overnachten. Opnieuw vlieg ik door het bos, tot ik bruusk rem voor het hutje, en een heerlijke geur opsnuif. Een zoete geur, een lokkende geur, een geur die mijn keel laat branden van verlangen.
Ik heb geen tijd om me te verbazen over wat zo lekker ruikt, en toch zo onbekend, want ik ren door de gangen tot mijn instinct en de geur me tot de woonkamer leidt. Daar sta ik even stil voor de versleten en kapot getrokken deur, en nu kan ik de geur zelfs voelen en bijna proeven. Ik glimlach en loop door de duistere kamer. Het is er enorme donker, maar licht heb ik niet nodig. De geur trekt me enorm aan.
Reageer (1)
Verder ik ben abo!!!!!!!!
1 decennium geleden