-1859-

)
Céline De La French
Het is al laat, maar ik loop nog steeds door ons ruim domein. Ik had nog niets gegeten of gedronken, en begon de honger wel al te voelen, net als de drang om naar binnen te gaan, nu het hier kouder en kouder werd.
Rillend loop ik verder het bos in, terwijl ik mijn armen over elkaar heen sla en probeer mezelf warm te wrijven. Mijn voeten schuiven over de dorre bladeren en kleine twijgjes. Het licht van de vollemaan schijnt recht voor me uit, en verlicht mijn pad. Langzaam loop ik bibberend verder, niet wetend waar ik uit zal komen. Uiteindelijk kom ik bij een klein open plekje, ergens diep in het donkere bos, tussen grote dreigende bomen, waar hun enorme schaduwen me rillingen bezorgen.Voorzichtig schuifel ik langzaam verder, naar een kleine boomstronk die ergens langs de rand staat. Traag ga ik erop gaan zitten en strijk met mijn lange vingers mijn goudkleurige jurkje goed. Eventjes blijf ik zo zitten, maar lang hou ik het niet vol. Het is hier veel te koud. Klappertandend trek ik mijn knieën op tot tegen mijn buik en sla ik er mijn magere armen omheen. Verlangend werp ik een blik naar de andere kant van het bos, naar het kasteel, waar de heerlijke haard ons warm kan houden. Maar daar wil ik nu liever niet heen, want het gemis voor mijn lieve zuster Rosaline zou des te groter en erger worden. Dus blijf ik hier wel even. Hoe koud het ook mag zijn.
Maar dat kan mijn tranen niet tegen houden. Al snel spat de eerste traan uiteen op de droge bladeren onder me, die meteen word gevolgd door een tweede. Dan begin ik hartverscheurend te snikken.
Ik trek mijn neus op en veeg kordaat mijn tranen weg. Niet huilen, Céline! spreek ik mezelf toe. De tranen minderen en opnieuw veeg ik mijn bleke huid schoon. Achter me hoor ik de kerkklok bulderen. 12 uur. Op dat moment hoor ik ook nog iets anders, en ik moet mijn oren spitsen om het goed te kunnen verstaan. Het is een zacht en rasperig gehijg, alsof het scheurt door de keel van de persoon die hijgt. Het gehijg wordt sterker, net als het geluid van bladeren die ritselen en takjes die doorbroken worden. Mijn hart lijkt stil te staan en mijn benen zijn verlamd van angst. Langzaam, heel traag en moeizaam, komt er een gedaante uit de bladeren naar boven. Een gedaante met een gescheurde jurk, en verwilderde haren. Ze beweegt schokkerig en traag, terwijl ze met haar voeten over de dorre bladeren scheurt. Ik hoor de takjes breken, de bladeren ritselen, de wind tussen de bomen ruisen, en het trage geschuifel van de gedaante. Ze kijkt me niet aan en loopt stuiptrekkend verder, tot ze verdwijnt in de duisternis van de nacht.
Er zijn nog geen reacties.