Foto bij Proloog

1859

Mijn vingers glijden zachtjes over de lichte fluwelen rode stof. Voorzichtig leg ik de kleine plooitjes in mijn gloednieuwe jurk goed en strijk ik met mijn tengere handen langs mijn strakke korset. Mijn té strakke korset. Ik haal voorzichtig adem en langzaam, om mijn kleine zusje Céline, dat vredig ligt te slapen, niet wakker te maken, stap ik naar mijn grote witte kaptafel. Het lichte roze kussentje zit gemakkelijk, en de witte kaarsen verspreiden een warme gloed over mijn koude lichaam. Ik ril eventjes en zet de kaars wat dichter bij me. Brr, wat was het hier toch koud! Ik werp een blik in de grote spiegel, die met lichtroze rozen is versierd, en zie mijn bleke gezichtje. Ik zag er redelijk ziek uit, vond ik: een wasbleke huid, paarse lippen, en handen die verkleumd waren van de kou. Ach, waarom is het hier toch zo koud?! Ik kijk verlangend naar mijn warme bed, waar de zware dikke lakens me warm houden, en waar mijn katoenen jachtjapon alle kou buiten houdt. Ik zucht even en loop op mijn tenen naar een breed, wollig tapijt, dat vlak voor de haard staat. Alleen jammer dat de haard niet brandt. Voorzichtig laat ik me neerzakken op de kriebelige stof, en pluk met mijn slanke vingers een paar losse draadjes uit het dikke vloerkleed. Levenloos staren mijn ijsblauwe ogen voor zich uit, terwijl mijn hagelwitte tanden klapperen en trillen van de kou. Vlug sla ik mijn armen over mijn tengere lijf en trek ik mijn knieën op tot tegen mijn buik. De rode stof van mijn lichte jurk glijdt een stukje naar omhoog, en onthult een klein deeltje van mijn slanke, bleke benen. Op dat kleine stukje huid dat nu zichtbaar zit, staat een rode streep, in de vorm van spiraaltje. Een spiraalvormig litteken. Mijn vingers glijden erover, en rillen wanneer ze het koudste deeltje van mijn lichaam aanraakten. Een deeltje waarvan ik niet eens weet hoe het daar komt. Ik zucht en staar naar de stenen haard, en fantaseer over de warmte die het vuur mij zou kunnen geven. Maar zelf mag ik geen houtblokken aansteken. Al ben ik zeventien, het mag niet. Maar sterven van de kou mag blijkbaar wel. Opeens hoor ik de grote eikenhouten deur in de scharnieren knarsen. Ik schrik en loop naar mijn kaptafel. Als iemand wist dat ik met mijn nieuwe jurk op de grond zat...!
Ik plof neer op het roze krukje en rommel wat in de kleine laadjes van de lichtroze kastjes naast de kaptafel. Ik grits er een zilveren handgemaakte borstel uit, die ik met vlugge halen door mijn kastanjebruine haren haal. Als ik net door een grote knobbel in één van mijn lokken ben, zwaait de deur met een grote zwaai open. Een klein mollig vrouwtje van rond de veertig dreigt voorover te vallen, maar ze houdt zich nog net staande aan de stevige deurposten. Met een blozend gezicht komt ze overeind, en schikt een klein wit hoedje op haar zwarte haren goed. De vrouw, die Marianne heet, is de oudste van onze dienstmeisjes, en ook de liefste. Ze schuifelt op haar spitse schoenen, met nog steeds lichtrode wangen, naar me toe, en overhandigd me een mooi, groot bloemenboeket. Het zijn allemaal rode rozen, mijn favoriet. Aan een van de rozen hangt een klein zilverkleurig kaartje, dat ik nieuwsgierig los pluk. Er staat een sierlijk achterover hellend handschrift op, dat ik meteen herkende: Damon Salvatore. 'Felicitaties met je huwelijk,' schrijft hij, en ik kijk glimlachend naar het lieve kaartje. Ik had Damon altijd al liever gevonden dan mijn bruidegom, Jonathan, maar omdat Jonathan en zijn familie meer geld bezitten, moet ik met hem trouwen. Kiezen mag ik niet. Ik zucht verslagen en voel een zachte hand op mijn schouder. "Jonathan wacht op u, mevrouw De La French. Hij staat in de tuin bij de fontein. Ik wek Céline wel even." hoor ik de zachte stem van Marianne fluisteren. Ik knik en sta op. Voorzichtig open ik de zware deur, en stap ik op mijn kleine rode muiltjes naar buiten.

De traptreden vliegen onder mijn voeten, zo snel wil ik bij Jonathan zijn. Want ik hou wel van hem, alleen hou ik meer van Damon. Jonathan is als een broer voor me, een broer waar ik mee zal moeten trouwen. Normaal mag de bruidegom de bruid niet zien in haar trouwkledij voor het huwelijk, maar onze familie gelooft niet in bijgeloof. Dus ren ik verder het kasteel door, tot ik aan een brede deur komt, die met grote glazen ramen en licht eikenhout is gemaakt. Ik duw de zilveren klink naar beneden en stap het schemerige licht binnen. Mijn blauwe ogen speuren het domein af naar Jonathan, tot ik hem bij de fontein zie staan, vlak voor het paadje naar het bos. Mijn voeten zweven van het kleine trapje, en landen vlak voor mijn geliefde, die me dierbaar in zijn armen neemt. "Liefste," fluistert hij zacht, met zijn melodieuze stem, "Kom je even mee?" Ik knik en druk een klein kusje op zijn zachte lippen. Hij glimlacht en neemt me mee door het bos. Alleen lopen we niet. Hij slaat mijn arm rond zijn nek en grijpt mij net onder mn knieën vast, zodat hij me voor zich uit draagt terwijl hij door het bos rent. En zelfs met mij in zijn armen rent hij nog zeer snel door het donkere woud, waar de zon af en toe nieuwsgierig komt kijken. Jonathan gaat langzamer rennen, tot hij helemaal stopt op een open plek. Hij zet me op de grond en neemt me in zijn armen. Ik kreun zachtjes wanneer ik zijn lippen over mijn hals voel glijden, en ik bijt op mijn onderlip om het te stoppen. Ik voel hoe Jonathan glimlacht en ik zucht opgelucht. Ik voel ook hoe hij zachtjes zijn tanden in mijn nek zet, wat een kietelend gevoel heeft. Ik giechel er zelfs een klein beetje van. Tot ik een scherpe pijn in mijn nek voel, die zich al vlug over mijn hele lichaam verspreidt. Ik begin te krijsen en te tieren, en voel nu zelfs een zuigend gevoel. De zon schijnt op zijn gezicht, en ik zie twee scherpe hoektandjes glinsteren. Jonathan glimlacht naar me, met een mond waarvan mijn bloed van de lippen loopt. Ik walg en gruwel, maar de vreselijke pijn gaat verder. Het gif suist door mijn lijf en het brandende gevoel wordt erger. Ik blijf krijsen en val op de grond. Ondertussen is Jonathan gestopt. Hij kijkt breed grijnzend naar mijn bloedende nek, mijn lijkbleke gezicht, mijn doodsbenauwde ogen en mijn paniekerige stuiptrekkingen. Ik blijf gillen, en het vuur in mij word sterker. Mijn vingers haken zich in de drassige bladeren onder mij, terwijl ik het uitschreeuw van de allesvermoordende pijn. Ik kan maar aan één iets denken: laat het stoppen, dood me! En dat doet Jonathan ook. Terwijl ik het daar lig uit te krijsen bijt hij extra hard in mijn keel. Ik voel het bloed uit me weglopen, en mijn ogen worden zwaar. De pijn word heviger en het brandende gevoel is zo sterk, zo vreselijk sterk, dat de tranen die uit mijn ogen vloeiden, de warmte van het verschrikkelijke vuur overnemen. Ik krijs en gil, maar niets helpt. Niemand hoort me. Niemand ziet me. Niemand geeft om me.
Langzaam maar zeker zakken mijn ogen helemaal dicht. Ik geef nog een laatste gil, die door merg en been gaat.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen