6.

Toen ik de hoek omliep zag ik drie jongens staan. Al snel kwam ik erachter dat het geen vrienden waren. Twee jongens stonden om een jongen met donkerbruin krullend half kort haar en een bril heen. Een jongen pakte de bril van de andere af en de pesters begonnen ermee over te gooien. Toen het plezier over was gooiden ze de bril op de grond en trok iemand aan de jongen zijn bagage. Wat deed ik hier eigenlijk nog?
"Doe eens normaal!" riep ik en ik rende naar de jongens toe. Ik raapte de bril van de grond op en zag dat hij gelukkig niet kapot was. Ik gaf hem terug aan het slachtoffer. De andere jongens waren gestopt met treiteren. "Moet je hulp hebben van een meisje?" lachte de ene jongen die zijn broek overdreven laag had hangen. "Gaan jullie nog?!" ik wachtte af. Ik werd zelf ook wel eens gepest. Nou ja, niet echt gepest, maar ik was gewoon altijd het buitenbeentje. Altijd was ik afgezonderd van de anderen en niemand moest iets van me hebben. Prima, vond ik altijd. Natuurlijk wilde ik vrienden, maar ik had geen mensen nodig waar je niks aan hebt.
"Kom we gaan." zei een van de pesters en hij had al minder plezier dan daarnet. "Oké dan." De jongens liepen weg. Ik wachtte tot de jongens uit het zicht waren en begon daarna een gesprek aan met de jongen: "Gaat het wel?" vroeg ik en de jongen had inmiddels zijn bril al opgezet. Hij knikte. "Waar moet je heen?" Vroeg ik en ik probeerde de jongen gerust te stellen. "Waarom hielp je me en waarom praat je eigenlijk tegen me? Je hoort me nu te vloeren of zo." zei de jongen en hij was verbaasd. Ik zag dat hij zijn bagage bij hem had. "Wat is dat nou voor een vraag? Jij bent een persoon en ik als een ander persoon help iemand graag die half dood gepest wordt?!" ik keek hem aan en wachtte op antwoord. Hij zei niks en wilde waarschijnlijk zo snel mogelijk naar zijn kamer. "Zoek jij je kamer?" vroeg ik. "Ja, ik weet niet waar hij is. Toen ik het aan die jongens vroeg -wat ik beter niet had kunnen doen- begonnen ze me uit te schelden en te treiteren." Hij zei het alsof het de normaalste zaak van de wereld was. "Ik mag zulke mensen echt niet, maar ze zijn weg dus laten we ze snel vergeten. Wat is het nummer van je kamer? Dan help ik je zoeken." Ik hielp hem graag. "Kamer 206." Antwoordde de jongen. "Dat meen je niet! Ik zit daar ook!" Ik vergat dat ik naar het toilet moest en trok de jongen al mee de hoek om. "Dan zijn we dus kamergenootjes." zei ik enthousiast terwijl we al aangekomen waren bij onze kamer. Ik hielp de jongen met zijn bagage en opende de deur. We liepen naar binnen. "He Mitchel! Dit is onze nieuwe kamergenoot." Ik stelde de jongen en Mitchel aan elkaar voor. Ik dacht wel dat ik het getroffen had met deze jongens en niet dat ik arrogante jongens had. Mitchel keek wat raar uit zijn ogen en keek me aan met een 'wat doe je me aan' blik. Ik fronste mijn wenkbrauwen. Mitchel stak zijn had uit naar de jongen. "Mitchel." zei hij en hij trok zijn lip op. De jongen schudde de hand "Matthew." zei hij. Er viel een stilte. Ik moest iets doen om het ijs te breken tussen deze jongens, want Matthew verdiende een vertrouwde kans met vrienden en ten slotte wilde ik ook een normale en leuke tijd met mijn kamergenoten, want ik zou hen nog vaak zien.
Er zijn nog geen reacties.