De zon rees langzaam op in de blauwe hemel. Nu verdwenen de laatste leden van Zilverpels, na een nacht waken over hun vier Clans in het bos. Een paar kleine sluier wolken dreven langs, maar ze waren niet dik genoeg om de grond van het heldere licht te ontdoen. De ochtend was fris, zoals die in Nieuwblad kon zijn en het duurde niet eens lang meer voor Groenblad zou aanbreken. Het bos was al tot leven gekomen en wachtte op de laatste knoppen, om te openen en hun bladeren te spreiden. Er waren kittens in overvloed, het leven was niet zo zwaar in deze tijden. Toch wist je nooit of er nog gevaar op de loer lag en dus was ThunderClan waakzaam als altijd. Terwijl de zon de wereld opwarmde, begonnen de eerste warriors te bewegen in hun nesten. Naar buiten gelokt door het gewaardeerde licht, leek het kamp opeens op te bloeien als de bloesem van een appelboom. Het leven dat vele katten zo waardeerde, het samen tongen in de vroege morgen, uitwisselen van nieuwtjes en de warriors die op hun beurt het kamp verlieten en weer betraden.
Er steeg een hoog, enthousiast gemauw op uit de kraamkamer. Diep verborgen, achter dikke braamstruiken, rende twee kittens achter elkaar aan in een wild spelletje achtervolgen. Hun moeder zat in het zachte mos en volgde elke beweging nauwlettend. Als er iets mis zou gaan zou ze meteen kunnen ingrijpen.
'We gaan naar buiten' mauwde een klein, goudkleurig, cypers katertje. Zijn zusje volgde hem zonder om te kijken.
'Als jullie maar in het kamp blijven!' riep hun moeder hen na, om vervolgens ook naar buiten te lopen. Hen uit het oog verliezen deed ze niet. Als waardig Clankat kende ze de gevaren die de wildernis voor hen klaar had liggen.
'Kittens' mauwde een mooie witte poes, die haar vacht een snelle lik gaf. Goldenflower spinde even toen ze haar vriendin aan keek.
'Ze zullen zich nooit anders gedragen, jij moet dat ook wel weten, Frostfur' mauwde ze vriendelijk. De twee hadden wel vaker samen in de kraamkamer gezeten, maar ook zij aan zij gevochten, als warriors, in de strijd om hun Clan te beschermen. Het katertje rende naar de Hogesteen, gevolgd door zijn zusje.
'We worden snel apprentice, he Applekit' mauwde ze met een hoog stemmetje. Applekit stond stil en keek haar aan.
'Natuurlijk, Cherrykit. En ik word vast apprentice van onze vader, Tigerclaw. Ik wil later net zo sterk worden als hem.'
Ze spinde even en keek verlangend naar de doorntunnel die het kamp uit leidde. De verleiding was bijna te sterk voor de jonge kat. De wereld erachter riep haar, wilde ontekt en onderzocht worden. Het was vast heel mooi aan de andere kant van de struiken, in het bos van ThunderClan.
'Cherrykit! Loop je nou weer te dromen?!' De stem van Applekit riep haar terug naar de werkelijkheid, samen met de poot die hij had uitgestoken om haar een por te geven.
'Ik vroeg me gewoon af wat daar achter lag' antwoordde ze.
'Je lijkt wel een medicine cat, altijd maar dromen' zijn mauw klonk een beetje spottend. Cherrykit schoot overeind om hem een duw te geven. Hij trappelde met zijn poten tegen haar aan, nagels ingetrokken. Samen rolde ze ongestoord over het zachte gras in het kamp.
'Binnenkort zullen jullie geen tijd meer hebben om te spelen' miauwde een zware stem. Twee amberkleurige ogen keken de kittens aan. Zijn lichaam veel groter dan die van hen, sterk en machtig.
'Tigerclaw!' riepen de twee in koor. Ze schoten in hetzelfde tempo overeind met hun borst fier naar voren gestoken. Zoals ieder kitten bewonderde ze hun vader, maar Tigerclaw was geen gewone kat in hun ogen. Hij was een van de grootste en sterkste katten in ThunderClan. Wie wilde hem nou niet als vader en voorbeeld? De bruine tabby grijnsde even en gaf beide en klein duwtje, wat voor de kittens al heel wat was.
'Nog even wachten en dan mogen jullie met mij mee de bossen in' zijn stem klonk enthousiast, maar donker, alsof hij heel wat met de twee van plan was.
'Jij word mijn mentor, toch Tigerclaw' riep Applekit, die bij het idee alleen al wild met zijn staart zwaaide. Cherrykit wist hoe graag Applekit wilde dat zijn vader hem alles zou leren. Niets op de wereld zou hem tegen houden om net zo groot en sterk te worden als Tigerclaw.
Tigerclaw keek zijn zoon aan met glinsterende ogen, zijn eigen ambitie weerspiegelend in de ogen van Applekit. Zijn uitdrukking was niet te lezen, al wist Cherrykit dat hij zich iets geweldigs voor de geest haalde.
'Dat is niet aan mij' was zijn norse antwoord, en de glinstering vervloog. Er waren redelijk wat kittens die over een paar manen apprentice zouden worden en Bluestar zou moeten beslissen wie hun mentor zou worden, geen uitzondering gegund.
'Wie moet je anders krijgen dan?! Dustkit, Sandkit, Greykit, Ravenkit of Morningkit?!' riep Applekit verontwaardigd. Cherrykit staarde hem aan, maar zei niets. Ook Tigerclaw zweeg, en stapte weg zonder hen nog een blik te gunnen.
'We moeten het zelf weten te verdienen, we moeten het bewijzen' zei Applekit, die nog steeds strak naar Tigerclaw keek. 'We moeten het kamp uit.'
'Kittens mogen het kamp nog niet uit' zei Cherrykit aarzelend. 'Maar het zal wel een goede indruk geven als we iets vangen' vervolgde ze snel toen haar broer haar een harde blik gaf.
'Dat doen we! En we nemen Morningkit mee' riep Applekit die al naar de nursery holde. Cherrykit sloop naar de kampwand, ergens op een rustige plaats zat een gat waar een ander stel kittens eens doorheen waren gekropen. Ze zette zich neer in de schaduw en wikkelde haar staart om haar poten.
Het duurde niet lang voor Applekit naast haar verscheen, gevolgd door Morningkit. De twee keken opgewonden voor zich uit en rilde van enthousiasme. Cherrykit kon niets anders doen dan ook opgewonden raken. Ze zouden het bos gaan zien!
In stilte slopen ze door de kleine opening. Doorns en takken trokken aan hun vacht, maar de drie zette stevig door, met op elkaar geklemde tanden. Pas aan het eind van de doornstruiken hielden ze stil om de doorns uit hun vacht te plukken en te beslissen welke kant ze op zouden gaan.
'Misschien die kant op' zei Morningkit die naar een stuk bos staarde. Cherrykit volgde haar blik en wilde net haar mond open doen toen Applekit al begon te spreken.
'Ssst, niet zo hard praten, ze mogen ons niet horen. En we kunnen beter niet naar dat open stuk bos gaan, liever die kant op' zei hij en wees met zijn poot naar een donker stuk bos dat vol zat met struiken en hoog gras. Zijn toon was gedempt, al kon je horen dat hij moeite deed zich in te houden.
'Ziet er goed uit' zei Cherrykit zacht.
Morningkit leek snel over haar fout heen te komen en knikte vrolijk. Het besluit was genomen en dus holde de drie zo snel mogelijk naar de dichte struiken. Cherrykit voelde zich klein als ze zo rond keek in de omgeving. Haar ogen schoten alle kanten op om zo veel mogelijk in zich op te nemen. De verse bosgeuren dreven haar neus binnen en ze werd bijna overwelmd door de heerlijke geur van alle planten en dieren die zich hier hadden gevestigd. Hoewel alle schoonheid haar afleidde, begon ze haar pootjes toch wel te voelen. Als kittens waren ze nog niet gewend aan het rennen in de bossen. Net toen ze stil wilde houden om er iets over te zeggen werden de bomen minder dicht. Voor hen verscheen een reusachtige boom, die uitstak boven de rest. Bovenin was een groot gat te zien en de stam was bezaaid met het mos dat ze ook in hun nesten hadden. Cherrykit keek haar ogen uit en ze hielden stil.
'Dat moet de uilenboom zijn! Kijk maar naar dat gat, daar past vast wel een uil in!' riep Applekit, nu niet bang meer om hard te praten.
De andere twee kittens knikte en volgde het katertje dichter naar de boom. Cherrykit keek naar de schors, waar grote spleten en zelfs krassen, gemaakt door klauwen, in zaten. De warriors klommen zeker soms in de boom, als ze een eekhoorn achterna zaten, dacht ze snel. Haar bewondering werd plots verstoord door een laag gegrom en het gesis dat afkomstig was van Applekit. Een bange kreet van Morningkit deed al haar vacht prikkelen. Cherrykit's blik schoot naar hen toe, om te zien hoe de ogen van Applekit groot werden van schrik. Morningkit deed instinktief een paar stappen achteruit. Cherrykit hoorde het ritselen van de struiken, takken die braken en het doffe geluid van grote poten die op een hoog tempo op de grond dreunde. Net op het moment dat ze de lucht wilde ruiken om erachter te komen wat het was dat zo'n kabaal maakte, verscheen er een groot, lomp, zwart-wit dier uit de braamstruiken.
'DAS!' Het woord vloog uit haar mond en was vervuld van pure angst.
'RENNEN!' schreeuwde Applekit, niet heldhaftig, maar als een bange kitten, overgenomen door zijn instinkt en angst.
Ze schoten alle drie een andere kant op. Cherrykit dook onder een bos dichte braamstruiken, in de hoop dat ze daar veilig zou zijn, en keek naar Morningkit die weg sprintte. Plotseling werd het jonge, goudkleurige poesje door iets tegen gehouden. Ze stopte abrupt en spuugde en hijgde. Vanaf Cherrykit's plaats was niet te zien wat de jonge kat had gestopt, maar ze hoorde de kreten van pijn die door de lucht sneden. Cherrykit keek met ingehouden adem toe en zag tot haar grote schrik dat de das op Morningkit af holde.
Het was nu, of nooit. Cherrykit voelde haar hart in haar keel kloppen en vloog de braamstruik uit. Doorns prikte in haar huid en bleven haken in haar vacht terwijl ze sprong.
De das keek op, gestoord door het plotselinge geritsel. Cherrykit siste woest en zag met prikkelende vacht de das op haar af komen. Nu hij zijn aandacht op haar had gevestigd, zou Morningkit de kans hebben los te komen.
Zo snel als ze kon draaide ze zich om en rende weg. De doffe pootstappen van het grote dier achter haar maakte duidelijk dat hij zijn achtervolging niet op gaf. Ze wist niet hoe lang het duurde, of ze richting het kamp rende, waar ze terecht kwam, maar het geluid kwam angstaanjagend dichtbij. Net voor ze haar spieren kon aanspannen voor een laatste sprint, voelde ze de enorme kracht van een dassenpoot tegen haar aan klappen. Het beest had zijn klauwen naar haar uit geslagen. Cherrykit voelde hoe ze haar evenwicht verloor en weg werd geslagen. Haar vacht begon meteen nat te worden van het bloed dat uit haar wonden lekte. Het leek even te duren maar uiteindelijk smakte ze tegen de koude, harde bosgrond. Pijn schoot scherp door alle plaatsen van haar lichaam. Het golfde over haar heen en het duurde even voor ze weer een beetje besefte waar ze was. Opnieuw hoorde ze dreunende pootstappen die haar op een hoog tempo naderde. Met dichtgeknepen ogen wachtte ze op de laatste klap, niet in staat om zichzelf overeind te hijzen. Maar in tegenstelling tot een dassenpoot, was het de neus van haar moeder, Goldenflower, die haar begon te likken. Ze kon niet kijken, haar ogen werden donker. De laatste beelden en geuren van het bos verdwenen gelijdelijk, toen ze werd opgezogen door een kille duisternis.

Heel langzaam opende Cherrykit haar ogen. Er klonken veel stemmen in het kamp, alsof iedere kat aanwezig was. Het duurde even voor ze de verschillende tonen en klanken uit elkaar kon halen en haar hoofd weer helder genoeg was om te kunnen horen welke emotie ze uitstraalden. Tot haar schrik hing er een gespannen sfeer die afgewisseld werd met vlagen van verdriet. Er steeg een stem op, boven alle andere uit. Het klagende gekrijs was doordrenkt van verdriet, tot haar schrik herkende ze de stem. Een queen, van een ander nest uit de nursery. Te wazig om te weten wie het was schoot en een schok door haar heen. Was er iets gebeurd met Applekit of Morningkit?!
Een zachte, zoete stem deed haar opkijken. Spottedleaf, ThunderClan's medicine cat, kwam aanlopen en boog zich over haar heen. Haar uitdrukking stond pijnlijk, met een van rouw vertrokken gezicht keek ze haar patient aan.
'Je hebt rust nodig, kleintje, maar ik neem het je niet kwalijk dat je wilt weten wat er aan de hand is' zei ze kalm, maar haar ogen straalde nog steeds haar verdriet uit.
Ze pakte Cherrykit voorzichtig op, die plotseling voelde hoe gebroken ze was en kreunde bij elke beweging. Langzaam liep Spottedleaf door de tunnel van varens heen, opweg naar de open plek van het kamp. Cherrykit lette goed op, erop gebrand te weten wat er mis was. Haar ogen werden groter toen ze zag wat er plaats vond naast de Hogesteen.
Alle katten van de Clan hadden zich verzameld op het open veld. De meeste stonden bij elkaar en troosten een queen die verslagen in het midden lag. Bluestar stond naast de Hogesteen en keek met blauwe ogen neer op haar warriors. Haar uitdrukking was moeilijk te lezen, maar er ging af en toe een schittering van rouw door haar ogen, die dan leken te smelten van verdriet en zich daarna weer herstelde. Midden op het grasveld, waar alle ogen op waren gericht, lag een hoopje vacht. Het lichtgekleurde bundeltje bewoog niet en staarde met koude, bewolkte ogen in het niets. Het leek of er een doorn in haar hart stak, toen ze de jonge kat herkende. Haar ogen werden glazig van verdriet. Het levenloze hoopje gouden vacht, was Morningkit.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen