Het monster.

Niemand.
Niemand pakt mijn kind af.
Geen rechter.
Geen kinderbescherming.
Geen gemene schoonfamilie.
Geen vader, die er nooit voor hem was.
Niemand.
‘Yarden, kom eens hier.’ roep ik vanuit de keuken, naar de woonkamer waar Yarden momenteel aan het spelen is met zijn houten speelgoed. Vlug droog ik mijn handen aan de theedoek af en zet de afgewassen kopjes in het keukenkastje.
Vlug pak ik Yarden’s kleine blauwe jasje, sjaal en mutsje en loop naar Yarden, die in het midden van de woonkamer zit, omringd met houten blokjes, terwijl hij zit te kieren van de pret.
‘Yarden, kom eens.’ vaag ik zacht, maar toch op een bevelende toon, terwijl ik op mijn knieën ga zitten om hem zijn jas aan te trekken. ‘Zo klaar is Kees.’ glimlach ik, terwijl ik het mutsje over Yarden’s oren schuif. ‘Ik heet Yarden.’ zegt hij eigenwijs. Zijn helderblauwe kraaloogjes twinkelen en zijn lange wimpers maken zijn blik opener.
‘Speel nog maar even met je speelgoed. Mamma gaat ook haar jas aantrekken en dan gaan we.’ ‘Naar de speeltuin?’ vraagt Yarden en klapt enthousiast in zijn handjes. ‘Nee, een ander keertje.’ De teleurstelling is te zien op zijn gezicht, de twinkeling is uit zijn oogjes verdwenen. Dit vind ik zo vreselijk te zien.
Yarden heeft al geen normaal leven, laat staan dat dagelijkse dingen, die een normale peuter doet, kan doen. ‘Morgen gaan we naar de speeltuin en dan krijg je een ijsje, beloofd.’ Een lief glimlachje verschijnt op Yarden’s gelaat. Op mijn wangen legt hij elk zijn kleine handje en drukt een kusje op mijn lippen. ‘Lieve mamma.’ Nu moet ik met mijn hele verstand tegenhouden, dat ik geen traan laat ontsnappen. Dit is zo’n moment wat onbetaalbaar is, zo onwerkelijk, zo zeldzaam, té mooi voor woorden. Een moment wat voor altijd in mijn geheugen staat gegrift.
Al snel word ik weer teruggebracht naar de realiteit en besef dat ik geen seconde te verliezen heb. Elke seconde kan fattaal zijn, elke seconde is er één die wegtikt op de klok, elke seconde van Yarden’s leven.
Vlug pak ik Yarden op en loop op een snel tempo mijn appartement uit. Mijn sleutels en mijn mobiele telefoon ben ik vergeten, maar om die te gaan halen, is het al te laat. ‘Mamma, waar gaan we heen?’ Ik antwoord niet, omdat ik niet wil én kan vertellen waar we heengaan. Ik weet het zelf niet eens! Één ding weet ik zeker; in mijn eigen huis ben ik niet veilig.
Met grote passen loop ik door de straten. Snel glip ik tussen de mensen door. Zakenmannen gehuld in dure kostuums en een aktetas in de hand, winkelende vrouwen met ieder vijf tassen in hun hand, schoolkinderen die tussen de middag naar huis gaan voor een boterham te eten. Iedereen lijkt zo gerust gesteld; er is geen gevaar. Het enige gevaar voel ik, het bekruipt me, het bespiedt me. Van alle kanten wordt ik bekeken, ik word achtervolgd, ik word gek. Schichtig kijk ik om me heen. Nergens is dat gezicht, het gezicht met gifgroene ogen. Het gezicht van het monster.
‘Probeer maar te slapen, schatje.’ fluister ik en leg de oude deken over Yarder’s kleine, weerloze lichaampje. Mijn lippen druk ik op zijn voorhoofd en strijk met mijn vingers door zijn blonde haartjes. ‘Welterusten mamma.’ Ik glimlach even, geef hem een aai over zijn wang, sta op en loop de kamer uit. Wanneer ik de deur achter me sluit, laat ik een diepe zucht. Yarden slaapt rustig en vredig, terwijl ik overloop van de spanning. Hoe lang gaat het nog duren voordat hij mij hier vind? Hoe lang ben ik, maar vooral Yarden, nog veilig?
Zijn gifgroene ogen,
dat is waarom ik verliefd op hem werd.
Zijn gifgroene ogen,
die mij verraadde, kwetste en pijnigde.
Zijn gifgroene ogen.
Een ijselijke gil van buitenaf weerkaatst in de kille woonkamer. Geschrokken schiet ik overeind. Verdomme, ik ben in slaap gevallen, terwijl ik nog zo tegen mezelf had gezegd om niet in slaap te vallen. De haren in mijn nek gaan recht overeind staan, wanneer op het raam achter me word getikt. In slowmotion draai ik mijn gezicht, bang om te zien wie zich achter het raam verschuilt. Twee vriendelijke, bruine ogen kijken mij aan. Met zijn armen gebaart de jongen van alles, maar ik kan er niks uit opmaken. Ik loop naar het raam, open het slot en duw het raam een stukje open. ‘Wat is er?’ ‘Je moet hier weg. Er is een gek met een pistool!’ antwoord hij angstig en kijkt daarna schichtig om zich heen. Dat is hem, het kan niet anders. ‘Ga naar huis jongen. Alleen daar ben je veilig.’ De jongen knikt kort en rent daarna weg.
Drie tellen later volgt een schot…
Zelf twijfel ik geen moment, sluit het raam en ren naar de kamer waar Yarden ligt te slapen. Voorzichtig til ik Yarden’s slapende lichaampje op en druk hem stevig tegen mijn koude lichaam aan. Door de spanningen warmt mijn bloed mijn lichaam niet op. In voorbijgang van een spiegel kijkt ik naar mezelf met een lijkbleek gezicht. Mijn blauwe ogen lijken nog lichter te zijn, dat ze bijna doorzichtbaar zijn. Ik moet moeite doen om Yarden stevig vast te houden, aangezien de spieren mijn lichaam niet onder controle kunnen houden en ik tril als een rietje. ‘Mamma?’ Yarden heft zijn hoofdje van mijn schouder en kijkt me slaperig aan. ‘Pappa zal je bedoelen.’ klinkt een zware stem. De zware stem van het monster met de gifgroene ogen. Ik durf niet achter me te kijken. Bang om recht in zijn ogen te kijken. ‘Doe je oogjes dicht en houdt je handen voor je oren en open ze niet, voordat ik iets gezegd heb.’ fluister ik naar Yarden. Gelukkig gehoorzaamt Yarden, sluit zijn ogen en legt zijn handjes op zijn oren. Ik adem een keer diep de zuurstof in en draai me, met gevaar voor eigen leven, om. Hier sta ik dan; oog in oog met het monster. Het monster waar ik ooit van heb gehouden, mijn hart aan heb gegeven en een kind van heb gekregen. ‘Wat wil je?’ vraag ik kil. ‘Dat weet je best. Je hebt mijn dierbaarste bezit, van me afgepakt en daar zal je voor boeten.’ ‘Ik zal Yarden nooit weggeven aan een vader, die er nooit voor hem was. Ik laat mijn bloedeigen kind niet achter bij een monster!’ Hij recht zijn rug, maakt zijn schouders breed om zo te imponeren, maar dat maakt mij niet bang. Zijn ogen, die gifgroene ogen; die maken mij bang. ‘Denk jij zó over mij?! Een monster!’ schreeuwt hij. Vooral op de laatste woorden legt hij de nadruk. ‘Ja.’ Voordat ik het goed en wel besef, is het er al uit. Snel sla ik mijn hand voor mijn mond en kijk hem met grote ogen aan. Nu heb ik hem helemaal over zijn toeren gebracht. Mijn woede maakt plaats voor zijn woede. Mijn woede wordt angst, want ik weet niet waar hij tot in staat is. ‘Mamma, mag ik kijken?’ klinkt de zachte stem van Yarden. Voorzichtig zet ik Yarden op de grond en kijk recht in zijn bange gezicht, ondanks dat hij niks zag of hoorde, weet hij heel goed dat dit helemaal fout is. ‘Als ik het zeg, ren je zo hard als je kan naar buiten. Oké?’ fluister ik in Yarden’s oor, terwijl ik net doe of ik zijn jasje goed trek. Bang knikt Yarden met zijn ogen. ‘Waarom kunnen we er niet over praten, Chris? Het is veel beter dan dit, dit maakt het alleen maar erger.’ probeer ik Christopher te kalmeren. Wanneer ik over Christopher’s rug kijk, zie ik hoe Yarden voorzichtig probeert weg te sluipen. ‘Je wilt toch niet dat je zoon dit beeld van je krijgt? Je wilt een goede vader zijn? Niet die herinnerd word met een pistool in zijn handen?’ Wanneer Yarden nog geen stap van de deur verwijderd is, haal ik diep adem. ‘NU!!!’ schreeuw ik mijn longen uit mijn lichaam. Christopher draait zich vliegensvlug om, haalt een pistool uit zijn broekzak en richt het op Yarden, die zo snel hij op zijn kleine beentjes kan rennen naar buiten. Het vreselijke geluid van nog geen tien minuten eerder volgt wederom. ‘Nee!’ schreeuw ik, terwijl een warme traan over mijn wang stroomt. Ik wil rennen, maar Chris’ sterke armen houden mij tegen. ‘Yarden!’ Het kleine lichaampje van Yarden blijft levenloos op de oude houten vloer liggen. ‘Voor praten was het al te laat. Alleen wraak kon nog helpen.’ fluistert Chris in mijn oor, op een toon dat hij van zijn netverrichte daad geniet. ‘Je hebt mijn kind vermoord! Monster! Moordennaar!’ schreeuw ik, terwijl al mijn tranen de vrije loop krijgen. Ik ben hem kwijt, mijn kind, mijn schat, mijn alles. Alles waar ik voor leefde, ben ik kwijt. ‘Vermoordt mij ook maar. Je bent in staat om je bloedeigen kind te vermoorden, dan kan je ook je ex van het leven beroven.’ Chris verslapt zijn greep en draait me naar zich toe. Een misselijkmakende grijns toont aan hoeveel hij geniet om macht te hebben, om dit spel gewonnen te hebben. Hij duwt me ruw tegen de vieze muur en gaat tegen me aan staan. Zijn lichaam tegen de mijne. Met zijn vrije hand strijkt hij door mijn bruine haren. Zijn gezicht verplaatst hij naar mijn oor. ‘Heb je me niet gemist?’ fluistert hij en drukt zijn lippen op mijn kaak. Ik blijf voor me uit kijken, zonder antwoord te geven op zijn vraag. Door mijn zwijgen, wordt hij geïrriteerd. Hij legt het pistool tegen mijn slaap. ‘Antwoord!’ beveelt hij mij. Zwijgend hou ik mijn lippen stevig op elkaar gedrukt en sluit mijn ogen. Geen woord, geen gevoel, geen blik wil ik hem nog gunnen. Ik wil enkel nog bij Yarden zijn. Daar, boven in de hemel. Een plek waar we kunnen leven in rust, in vrede, maar vooral: zonder het monster.
Al snel volgt het verlossende geluid. Daar ga ik…
Reageer (1)
Oh my god
Zo erg ! heel mooi geschreven ! <3
1 decennium geleden