Aan de andere kant van het bureau zitten de heer en mevrouw Brown. John en Lesley, mag hij hen noemen. John en Lesley. Een man met donker haar, een snor en een korte baard, naast een niet bijzonder knappe donkerblonde vrouw. Ze houden elkaars hand vast en kijken Patrick Steptoe met nerveuze hoop aan.
John en Lesley willen graag een kind. Daarom zijn ze hier, daarom zitten ze aan de andere kant van het bureau. Lesley kan geen kinderen krijgen. Toch is het haar grootste droom moeder te worden. Daarom zijn ze, ten einde raad, bij hem gekomen, bij Steptoe. En bij zijn collega, Edwards. Pioniers op het gebied van in-vitrofertilisatie.
‘We willen graag een kindje,’ fluistert Lesley. Er blinkt een traan in haar linkeroog, het geeft haar iets onschuldigs. ‘En ze zeiden dat we dan bij u moesten komen...’
‘Wel...’ Steptoe kijkt opzij naar zijn collega, die wat beter van de tongriem gesneden is. Edwards gaat verzitten, legt zijn ineengevouwen handen op het bureau voor zich en zegt vriendelijk: ‘Wij zullen ons best doen u te helpen, mevrouw. Maar u moet zich realiseren dat dit een zeer ingrijpende behandeling is.’
‘Ja, maar...’ begint Lesley, valt dan stil en kijkt haar man van opzij aan. Haar blik trilt. Ze is nerveus, heel nerveus. Ze wil dit al zo lang.
John kucht. Ook hij is zenuwachtig. Ze willen dit al zo lang. Hij is bang voor een teleurstelling, durft niet op deze dokters te vertrouwen. ‘Misschien... Misschien kunt u ons eerst uitleggen hoe het precies werkt?’

Men zegt dat de wereld is geschapen door Chaos. Uit deze Chaos kwam tevoorschijn Gaea, Moeder Aarde. Zij baarde daarop Uranus, de hemel, en samen schonken zij het leven aan een zoon. Cronus, deze zoon, stootte de hemel, zijn vader, Uranus, van de troon. Hij greep een sikkel, het eerste wapen op zijn pad, en sneed daarmee zijn vader de mannelijkheid af.
Uranus brulde en het stormde, de zeeën op aarde kolkten en op de golven reden wilde paarden van sneeuwwit schuim. En daaruit, met als moeder de bebloede zee en als vader de losgesneden genitaliën van Uranus, verscheen een wonderlijke gedaante. Een godin, in schoonheid gelijk aan de zon en de maan.
Venus.


‘Dus...’ Lesley’s grote ogen staren vol verwarring naar de twee dokters aan de andere kant van het bureau. Ze wil er zeker van zijn dat ze het goed begrijpt. Als dit niet lukt, waar kan ze dan nog naartoe?
‘Dus u haalt eitjes uit mijn buik en stopt die bij... bij zaadjes van John, en dan stopt u dat terug in mijn buik? En dan word ik zwanger?’ Haar stem klinkt te hoog. Opwinding? Verwondering? Paniek? Steptoe kan alleen maar naar het waarom raden.
Weer is het Edwards die antwoord geeft. ‘Ja, dat is ongeveer juist. Bent u nog steeds zeker dat u tot deze stap wil overgaan?’
Lesley en John kijken elkaar met wijd opengesperde ogen aan. ‘We willen al zo lang een kindje,’ fluistert zij. Hij vraagt zich af of al deze moeite het wel waard is. Ze ziet de aarzeling in zijn ogen en legt een hand op zijn arm. ‘Denk je eens in, John! Een kindje! Is dat niet prachtig?’
Haar ogen glanzen van geluk bij de gedachte. Dat maakt haar wat grove gezicht plotseling elfachtig; nu is te zien dat ze eigenlijk nog jong is, tegen de dertig pas. Steptoe kijkt met nostalgie naar het echtpaar aan de andere kant van het bureau. Ach ja... Hij herinnert zich nog goed hoe zijn eigen kinderen geboren zijn. Hoe blij hij en zijn vrouw met hun eerste kindje waren. Hij gunt het deze mensen van harte, maar weet dat hij eigenlijk niets kan garanderen. Al hun vorige proeven draaiden uit op niets.
Dan kijkt John naar hem op, naar hem en naar Edwards. Zijn besluit staat vast, ziet Steptoe. De hoop leeft niet alleen in Lesley, maar ook in John. Ze willen een kindje.

Men zegt dat de engelen neerdaalden uit de hemel om Venus te ontvangen. Zij rees op uit het schuim van de zee, prachtig in haar albasten naaktheid, en lieftallig glimlachte zij naar allen die haar aanschouwden. De zoete westenwind, zachte Zephyrus, tilde haar op en bracht haar op haar rijtuig van schelp en schuim naar het eiland Cyprus, waar zij gekleed werd door twee engelen die zich aan haar voeten worpen en zichzelf dienaressen noemden.
Overal waar zij verscheen, bloeiden de bloemen en gezichten alsof de lente met tedere voetstappen over het land danste, en iedereen kwam naar buiten om haar te mogen aanschouwen. Zij kroonden haar met kransen van zilver en zeeschuim, kusten haar handen en voeten, en eerden haar met geschenken.


Het kindje ademt. Het kindje huilt. Het kindje lacht. Het kindje brabbelt. Het kindje zit. Het kindje kruipt. Het kindje loopt. Het kindje leeft.
Lesley en John hebben een dochter. Ze wilden dit al heel lang, een dochter of een zoon, maar nu is het ook werkelijk gelukt. Het meisje heet Louise Joy Brown, ze woog 2,6 kilo bij haar geboorte. Ze is gezond. Ze is een klein mirakel. Nog nooit eerder is er een kindje geboren zoals zij.
Een eitje en een zaadje, zoals elke baby, maar dat eitje en zaadje kwamen niet samen in de buik van haar moeder. Dat eitje en zaadje maakten een kleine Louise op een heel andere plek. Een nog nooit eerder vertoonde plek. Een reageerbuis. Nee, een petrischaaltje. Is dat niet bijzonder?
Tantes en ooms uit alle hoeken en gaten komen op bezoek om het wonder te aanschouwen. Twee nichtjes brengen zelfgemaakte jurkjes voor het kindje. Trotse opa tilt haar op en neemt haar mee naar buiten, waar de zon schijnt en iedereen lacht. Ze krijgt een zonnehoedje op om haar tere, bleke huid te beschermen, en iedereen wil haar aanraken, en ze krijgt cadeautjes en ze lacht en wappert met haar handjes zonder te begrijpen wat er gebeurt.
Lesley, moeder Lesley, neemt haar kindje over van opa, wiegt het in haar armen. Ze is verrukt. Ze heeft een kindje, haar grootste wens is waarheid geworden. Ondanks alle waarschuwingen, ondanks alle twijfels. Ze kust het kindje van top tot teen. Een kleine godin, dat is ze. Een kleine godin.

En iedereen noemde haar een wonder.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen