A new year, a new beginning, right?
Met een schok word ik wakker van de wekker. Met een geïrriteerde zucht geef ik het ding een klap en mijn kamer vult zich weer met stilte. Ik kijk op de klok. 06:45. Het is veels te vroeg. De eerste dag van het nieuwe schooljaar is vandaag en ik voel alles behalve enthousiasme. Weer een heel jaar rondlopen op die rotschool. Gelukkig is dit het laatste jaar. Het examenjaar. Ik gooi mijn benen over de rand van het bed en wrijf in mijn ogen. Mijn voeten raken de koude vloer en met slome passen baan ik me een weg door de troep in mijn kamer richting de badkamer. Ik neem een snelle douche. Of dat dacht ik, want als ik in mijn ondergoed voor de kledingkast in mijn kamer sta, is het al drie kwartier later. Ik gris een kort broekje en een hemdje van een plank en trek het aan. Met snelle bewegingen borstel ik mijn haar en wurm het in een rommelige knot. Snel doe ik wat mascara op mijn wimpers en ren daarna de trap af. Ik pak een appel van de schaal, trek mijn schoenen aan en hang mijn tas om mijn schouder. Buiten is het warm en benauwd. Ik haal mijn fiets uit de schuur en fiets snel naar school. Gelukkig, als ik aankom, is de bel nog niet gegaan. Ik zet mijn fiets op zijn vaste plaats. Als een soort autisme zoeken mijn ogen het schoolplein af naar hem. Als onze ogen elkaar ontmoeten, schrik ik en kijk snel naar de grond. Het is nu een jaar geleden, we hebben sindsdien niet meer gepraat. Met grote passen loop ik de school binnen en haal de benodigde boeken uit mijn kluisje. Ik besluit vast naar het lokaal te gaan, mijn vriendinnen kom ik vanzelf wel tegen. Net op het moment dat ik dat besluit neem, gaat de bel. De school vult zich en het lawaai wordt alsmaar erger. Ik haal een paar keer diep adem en neem de trap naar de eerste verdieping. Ik weet eigenlijk niet bij wie ik in de klas zit dit jaar, alleen wel dat ik bij mijn twee beste vriendinnen zit. Als ik ze zie, ontstaat er een glimlach op mijn gezicht en vrolijk zwaai ik naar ze. We omhelzen elkaar en praten en lachen wat. Dan zie ik hem. Hij staat voor hetzelfde lokaal als ik. Onze ogen ontmoeten elkaar weer. Hij glimlacht verlegen. Ik stop midden in mijn zin en kijk hem met grote ogen aan. Mijn adem stokt in mijn keel. Het moet een misverstand zijn; het kan gewoon niet dat we nog een jaar bij elkaar in de klas zitten.
Er zijn nog geen reacties.